'Ik ben eigenlijk heel braaf'

De ‘Marokkaans’ Joodse minnaar van sexy, donkere vrouwen uit zijn net bekroonde roman lijkt op Robert Vuijsje zelf. ‘Maar hij zet zich meer af tegen zijn milieu dan ik zelf ooit heb gedaan.’

Robert Vuijsje nadat hem maandag j.l. de Gouden Uil in Antwerpen was uitgereikt Foto Wim Daneels Robert Vuijsje - winnaar Gouden Uil 2009 : foto Wim Daneels WDK;Daneels, Wim

‘Niet slecht voor een Marokkaan’, zo feliciteerde Abdelkader Benali de winnaar van de Gouden Uil 2009, Robert Vuijsje. De auteur van de maandag j.l. bekroonde debuutroman Alleen maar nette mensen moet nog bijkomen van de prijsuitreiking in het Antwerpse stadhuis, in aanwezigheid van zijn familieleden. Zij staan model voor de nette mensen die de voor Marokkaan versleten hoofdpersoon van zijn boek belachelijk maakt. Dan maar liever de rauwe werkelijkheid van de Bijlmer, de derde wereld om de hoek, waar vrouwen, zwart en wulps, nog vrouwen zijn en mannen, agressief en macho, nog mannen. „Iedereen zat al voor me te juichen”, zegt Vuijsje, „maar pas toen juryvoorzitter Guy Mortier het had over proza ‘dat swingt als een Afrikaanse tiet, in een ritme dat strakker zit dan een zwarte bil in een te kleine luipaardlegging’ kreeg ik door dat het echt over mijn boek ging.”

We treffen elkaar tegen lunchtijd in een etablissement in Amsterdam-Zuid, vlak bij het Concertgebouw, tussen alleen maar nette, dat wil zeggen, blanke mensen. In deze buurt en dit milieu is Robert Vuijsje (1970) opgegroeid. De vrouwen zien er hier allemaal hetzelfde uit, slank, chic gekleed, geen hoofddoek te bekennen.

In Alleen maar nette mensen zet Vuijsje zijn omgeving – journalisten van kwaliteitsmedia, advocaten of architecten met mooie huizen, beschaafde meningen en kinderen op het gymnasium – te kijk als een elite van politiek correcte hypocrieten. Toch is hij uit vrije wil in deze buurt blijven wonen en net als zijn vader Bert Vuijsje, voormalig hoofdredacteur van HP/De Tijd en adjunct van de Volkskrant, journalist geworden. Hij werkt bij de krant De Pers.

Vuijsje zegt ‘niet compleet’ samen te vallen met David Samuels, de hoofdpersoon van zijn roman. „David, een Joodse jongen van twintig met een gymnasiumdiploma die niet naar de universiteit wil, zet zich meer af tegen zijn milieu dan ik ooit heb gedaan. Ik heb keurig mijn studie amerikanistiek afgemaakt.”

Zijn roman doet denken aan Philip Roths Portnoy’s Complaint, de noodkreet aan een psychiater van een Joodse jongen die geobsedeerd is door in zijn kringen niet-geaccepteerde seks. Ook Vuijsjes David doet zijn verhaal aan een psychiater. Maar de overeenkomsten berusten op toeval. „Ik weet waar Portnoy over gaat, maar ik heb het niet gelezen.” Ook Tirza van Arnon Grunberg, waarin de zogenaamd beschaafde bewoners van Amsterdam-Zuid worden uitgekleed, kent Vuijsje niet. „Het klinkt misschien aanstellerig, maar als ik er tijd voor heb, lees ik vooral Amerikaanse boeken. Van Grunberg heb ik alleen Blauwe maandagen gelezen. Zoals de meeste debuten gaat dat boek over hoe de schrijver is opgegroeid. Dat vond ik interessant, omdat Grunberg ongeveer even oud is als ik en uit dezelfde buurt komt.”

Vuijsje, voortdurend breed grijnzend, maakt een karikatuur van de bewoners van Oud-Zuid, maar evenzeer van de mensen waar David tussen verzeild raakt in de Bijlmer. „Ik heb de karakteristieken van beide milieus overdreven om het contrast sterker te laten uitkomen. Ik schets de extreme vormen van wat je in die buurten zoal tegenkomt. David zet zich vooral af tegen de interessantdoenerij van de snobs in Oud-Zuid. Ze praten steeds over de gewéldige boeken die ze hebben gelezen. Als je voor de duizendste keer iemand hoort vertellen wat er in de VPRO-Gids staat over een of andere film, dan weet je het wel.”

Paradiso

In het boek lijkt David de Bijlmer te prefereren wegens wulpse zwarte vrouwen, maar er spreekt vooral een verlangen uit naar een milieu waar de normen totaal verschillen van wat hij gewend is.

„Die behoefte hebben veel jongeren”, denkt Vuijsje. „De meeste van mijn collega-journalisten komen van buiten Amsterdam. Het was ooit hun droom naar de grote stad te gaan. Maar ik woonde daar al, zat op school tegenover Paradiso. Als je al bent waar het in jouw ogen gebeurt, dan is er weinig meer om naar te streven.

„Het leukste aan mijn studie was dat ik tijdelijk in Memphis ging wonen. Mijn boek gaat erover dat je in Amsterdam, op een paar kilometer afstand van je vertrouwde omgeving, volstrekt andere culturen, leefpatronen, muziekvoorkeuren aantreft, waar een doorsnee Nederlander geen idee van heeft. David vindt het bij zijn vriendin Rowanda veel gezelliger dan bij zijn ouders met hun verantwoorde feestjes. Die mening deel ik met hem.”

In het boek komt het verlangen van de nogal donker uitgevallen David naar een wisseling van milieu ook voort uit de omstandigheid dat hij in nette blanke kringen nogal eens voor Marokkaan wordt aangezien en last heeft van discriminatie. „Het is mij herhaaldelijk overkomen dat ik voor Marokkaan werd versleten”, zegt Vuijsje. „Het is een rare gewaarwording: je ziet jezelf als de zoon van een hoofdredacteur uit Zuid, je denkt dat je tot de elite behoort, terwijl anderen je aanzien voor het andere uiterste: Marokkaans tuig. Voor mij was dat niet zo verwarrend als voor David. Toen ik zo oud was als hij bestond er nog niet zo’n afkeer van Marokkanen. Maar het probleem waar David door zijn uiterlijk tegenaan loopt – waar hoor ik bij? – geldt natuurlijk voor een heleboel jongeren met niet-Nederlandse ouders.”

Zijn ervaringen hebben Vuijsje gevoelig gemaakt voor discriminatie, maar ze stellen hem ook in staat kritisch te kijken naar de neiging van minderheidsgroepen zich als slachtoffer te presenteren. „Surinamers roepen hoe erg het is dat ze ooit slaven waren, Marokkanen klagen dat ze geen stageplaats krijgen. Dan zeg ik: wij Joden zijn vermoord. Ik vind het belachelijk hoor, dat tegen elkaar opbieden in leed, maar toch denk ik dat ik de neiging tot slachtofferschap onder minderheden beter begrijp dan een reguliere blonde Hollander.”

Zijn eigen Joodse milieu moet er in Alleen maar nette mensen ook aan geloven. Hoewel Vuijsje zich net als David sterk identificeert met het Joodse leed (een groot deel van zijn familie overleefde de concentratiekampen niet) distantieert hij zich van groepsdenken. „In mijn boek laat ik zien dat er ook in Joodse kring rangen en standen zijn. In Oud-Zuid wordt door cultuurjoden neergekeken op de geldjoden uit Buitenveldert.”

Omdat zijn romanpersonage in de Bijlmer op zoek gaat naar stereotiepe, goed gevulde donkere vrouwen die zich voor iedere ‘gunst’ laten betalen, is Vuijsje her en der van discriminatie beschuldigd. Maar in wezen stelt hij in zijn roman nog iets anders aan de orde dan alleen een voorkeur voor zwart en sexy. Is David niet het prototype van de ‘echte’ man voor wie hoog opgeleide, onafhankelijke, zich niet traditioneel vrouwelijk gedragende meisjes onaantrekkelijk zijn?

Nu schiet Vuijsje overeind. „Mijn eigen vrouw, een Surinaamse, werkt gewoon hoor en heeft een opleiding gevolgd. Ik stel toch wel prijs op een partner met wie je op je eigen niveau kunt praten. In mijn boek wil David die hoerige zwarte meisjes omdat die het verst verwijderd zijn van waar hij zelf vandaan komt. Maar daarmee is hij nog niet de exponent van een maatschappelijk fenomeen. Hij staat dacht ik nogal alleen in zijn voorkeuren. Uiteindelijk bevredigen die hem niet en gaat hij op zoek naar een intellectuele negerin.”

Die vervolgens niet blijkt te bestaan, omdat David een intellectuele, onafhankelijke zwarte mevrouw seksueel net zomin opwindend vindt als een hoogopgeleide witte mevrouw. Vuijsje, ineens ernstig: „Op dat niveau heb ik er eigenlijk nog niet over nagedacht. Davids voorkeuren komen min of meer overeen met de mijne en ik heb gemerkt dat mensen mij daarom vreemd vinden. Als iemand zegt: ik houd van blonde vrouwen met grote borsten is er niets aan de hand, maar als je van donkere vrouwen met cup F houdt, dan discrimineer je of word je voor gek versleten. Ik ben er inmiddels achter dat er vrouwen bestaan die beide kanten in zich verenigen: opwindend, spannend en toch slim en geleerd. Die heb je maar weinig in Nederland. In Amerika, waar veel meer zwarte vrouwen en dus ook meer ontwikkelde zwarte vrouwen zijn, ligt dat anders.”

Weinig pretenties

Tot zijn verbazing heeft Vuijsje gemerkt dat sommige ‘nette blanke vrouwen’ zich beledigd voelen door zijn boek. „Ze hoeven niet jaloers te zijn. Er blijven nog altijd meer mannen die een doorsnee blanke vrouw willen. Een blanke vrouw staat sowieso in hoger aanzien dan een zwarte. Waarom weet ik niet. Trouwens, in een Surinaams radioprogramma wonden zwarte mannen zich op over mijn boek. Daarna ben ik nog op een avond in de Bijlmer geweest met alleen vrouwen. Zij reageerden net zo als die mannen bij de radio. Iedereen kan blijkbaar in mijn boek iets vinden om zich gediscrimineerd te voelen.”

Hij is nog steeds verbaasd over het succes van zijn roman. „Ik heb gewoon geschreven over dingen die ik zelf leuk en interessant vind. Veel pretenties had ik niet, ik houd niet van ingewikkeld doen en zogenaamd gelaagde romans. Er zitten wel verschillende betekenislagen in, maar terloops, zodat de lezer er zelf ook nog van alles in kan vinden. Op die nominaties voor de Gouden Uil- en de Librisprijs had ik totaal niet gerekend, hooguit op een debutantenprijs. Maar mijn boek heeft wel een zekere urgentie. Ik laat zien hoe Nederland er op dit moment uitziet.”

De 25.000 euro van de Gouden Uil wil Vuijsje gebruiken om te kunnen werken aan een tweede roman. „Ik denk dat zo’n prijs daar ook voor bedoeld is. Het is niet genoeg om een dure auto van te kopen en daar ben ik ook te braaf voor. Eigenlijk ben ik ontzettend braaf.”

De Libris Literatuurprijs wordt aanstaande maandag uitgereikt. De andere genomineerde boeken zijn ‘Contrapunt’ van Anna Enquist, ‘Visser’ van Rob van Essen, ‘Onze oom’ van Arnon Grunberg, ‘Koetsier Herfst’ van Charlotte Mutsaers en ‘Godverdomse dagen op een godverdomse bol’ van Dimitri Verhulst. Lees interviews met Van Essen, Mutsaers en Verhulst en recensies van alle boeken via www.nrcboeken.nl

    • Elsbeth Etty