EU noemt buren voortaan partners

Nieuwsanalyse

De EU heeft gisteren een ‘partnerschap’ gesloten met een deel van de voormalige Sovjet-Unie. Een stap in de richting van verdere uitbreiding is het nog niet.

Het zou een grote bijeenkomst worden, gisteren in Praag. De Europese Unie vergaderde met zes landen die vroeger deel uit maakten van de Sovjet-Unie: Oekraïne, Georgië, Moldavië, Armenië, Wit-Rusland en Azerbajdzjan. Alle 27 Europese regeringsleiders zouden erbij zijn als aan de zes landen een politiek en economisch akkoord werd aangeboden, het Oostelijk Partnerschap.

De EU zoekt naar nieuwe manieren om samen te werken met buurlanden: de Mediterrane Unie in het zuiden, het nieuwe ‘partnerschap’ in het oosten. Doel: rust en stabiliteit brengen. „Als het goed gaat met je buren”, zei premier Balkenende gisteravond in Praag, „is dat ook goed voor jezelf.”

De opkomst van regeringsleiders viel tegen: tien EU-landen lieten gisteren een minister of ambassadeur naar Praag gaan. De Franse president Sarkozy, de Britse premier Brown, de Italiaanse premier Berlusconi, de Spaanse premier Zapatero – allemaal hadden ze iets anders te doen.

Wat stelt het nieuwe akkoord nu precies voor? Voor de zes voormalige Sovjetrepublieken zal het de komende tijd weinig concrete voordelen opleveren, en de EU kost het weinig: 600 miljoen euro tot 2013, bedoeld voor betere infrastructuur en grensbewaking. Peanuts, zei een Tsjechische diplomaat begin deze week in Brussel.

Maar daarmee is het Oostelijk Partnerschap niet opeens onbelangrijk. Bij het nieuwe akkoord gaat het om de twee grootste problemen die de Europese Unie op dit moment heeft in het buitenlands beleid: de omgang met Rusland en de uitbreiding van de EU met nieuwe lidstaten.

Volgens Rusland probeert de EU met het Oostelijk Partnerschap de eigen ‘invloedssfeer’ te vergroten, ten koste van de Russen. Tsjechië, dat nu voorzitter is van de EU, doet daar luchtig over. „Dat is hun probleem”, zei een diplomaat uit Tsjechië in Brussel. Maar veel EU-landen denken daar anders over. Op een EU-vergadering in Luxemburg zei de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov vorige week dat zijn Europese collega’s druk op hem hadden ingepraat. Ze hadden tegen hem gezegd dat het Oostelijk Partnerschap niet tegen Rusland was gericht. „We zouden het graag willen geloven”, zei Lavrov.

Dat hij het niet gelooft, komt zeker ook door de twee EU-landen die het Oostelijk Partnerschap hebben bedacht: Polen en Zweden. Die staan er niet om bekend dat ze voorzichtig willen omgaan met Rusland, anders dan bijvoorbeeld Duitsland, Frankrijk, Nederland. Poolse politici zeiden vorig jaar, toen ze hun plan voor het Partnerschap in Brussel presenteerden: als wij deze zes landen niet naar ons toe halen, zijn ze van Rusland.

Dat de meeste andere EU-landen het idee van Zweden en Polen steunden, kwam vooral omdat ze zich zorgen maken over de stabiliteit in Georgië, Oekraïne en Moldavië. Een meerderheid in de EU vindt ook dat je met landen die een slechte reputatie hebben op het gebied van democratie en mensenrechten, zoals Wit-Rusland, in contact moet blijven – door samen te werken kun je landen laten zien hoe het wél moet. Het hielp ook dat Zweden en Polen met hun idee kwamen als reactie op het Franse plan voor een Mediterrane Unie, een intensieve samenwerking met landen rond de Middellandse Zee. Het Oostelijk Partnerschap, vonden de meeste Europese lidstaten, was goed voor ‘de balans’.

Maar hoe dicht moeten de zes landen naar de EU worden toegehaald? Polen en Zweden vinden: zo dicht mogelijk. Ze steunen Georgië en Oekraïne die graag lid willen worden van de EU, en ook andere EU-landen, uit Midden- en Oost-Europa, vinden dat een goed idee. Maar landen als Duitsland, Frankrijk, Nederland, België en Luxemburg verzetten zich daartegen, en niet alleen uit angst voor een slechte relatie met Rusland. Hun bevolking heeft moeite genoeg met de mogelijke toetreding van Turkije en landen op de Balkan. Hoe moet je uitleggen dat ook Oekraïne, een politiek instabiel land, en Georgië, waar de onrust met de dag groeit, erbij komen?

De Tsjechische vice-premier Alexandr Vondra zei deze week in Straatsburg dat uitbreiding van de EU naar het oosten nu niet aan de orde is. „Maar we willen geen vacuüm laten ontstaan. Dit Oostelijk Partnerschap is een brug naar de toekomst.” De Tsjechische premier Mirek Topolánek had gisteren ook een boodschap waar de presidenten uit Georgië en Oekraïne mee thuis kunnen komen: „Dit akkoord komt niet in de plaats van lidmaatschap. De weg daarheen kan parallel lopen aan het Oostelijk Partnerschap.”

De dringende wens van de zes landen – vrij reizen in de EU, zonder visum – zit er nog lang niet in. Door bemoeienis van Duitsland en de Benelux-landen staat er in de tekst dat dat ‘voor de lange termijn’ is. Elk woord dat een belofte kon betekenen, is eruit gehaald. In een ontwerptekst had EU-voorzitter Tsjechië de landen van het Oostelijk Partnerschap nog ‘Europese staten’ genoemd. Onder druk van Duitsland en Nederland is dat veranderd in ‘Partnerschapslanden’. „Als je deze landen Europese landen noemt”, zei premier Balkenende gisteren, „dan spreek je meteen over een toekomst in de EU.”

Laatste persconferentie Topolánek: nrc.nl/europablog

    • Petra de Koning