Een Nederlander bezuinigt niet op zijn/haar fiets

In de fietsenbranche hoor je niemand klagen. De zaken gaan goed. Zal de recessie dat niet veranderen? Dan lonken altijd nog de landen waar ze nog niet fietsen. „Nederland is klein, maar de wereld is groot.”

Fietsenfabriek van Batavus in Heerenveen. Foto Willem Sluyterman van Loo Fietsfabriek Accell Heerenveen - Foto Willem Sluyterman van Loo industrie fietsen metaal pakhuizen Sluyterman van Loo, Willem

Vijfduizend fietsen per jaar. Meer wil De Fietsfabriek in Amsterdam niet maken. „Je moet niet altijd meer willen”, zegt eigenaar Yalçin Cihangir. „Wij produceren nu ruim drieduizend fietsen, op maat gemaakt. Onze doelgroep zoekt kwaliteit en geen massaproductie. Ik ben tevreden, zij zijn tevreden.” Van de economische crisis heeft het bedrijfje in de Amsterdamse wijk De Pijp, een vennootschap onder firma (VOF) van Cihangir en mede-eigenaar Dave Deutsch, geen hinder. „Sterker”, zegt Deutsch, „we verkopen nu meer dan in dezelfde periode van 2008, en vorig jaar was weer beter dan 2007.”

Cihangir is het technische brein achter De Fietsfabriek. Hij ontwerpt fietsen en bakfietsen in vele soorten en maten. De twee vennoten laten hun fietsen maken in Cihangirs geboortedorp Büyükcamili, nabij de Turkse hoofdstad Ankara, waar de productiekosten laag zijn. Het bedrijf heeft alles in eigen hand, inclusief verkoop en reparatie. En Cihangir is uitvinder: als een klant bij hem komt met een technisch probleem, zoekt hij naar de oplossing. „Het ambacht is uit Nederland verdwenen. Dat noem ik pas crisis”, zegt hij.

Hij heeft een ronde metalen bus bedacht die aan het frame wordt bevestigd en waar een groot kettingslot in past. „Dan slingert het slot niet meer tegen je billen bij het fietsen. En in de zomer kun je er ook een fles wijn in zetten”, zegt hij. Ter plekke demonstreert hij een andere vondst: een buitenband met drie binnenbanden. „Als er één lek gaat, heb je er nog twee over en als er twee lek zijn, heb je er nog één over. Zo kun je altijd naar een fietsenmaker fietsen. Het werkt, ik heb er patent op aangevraagd.”

Niet alleen met De Fietsfabriek gaat het goed, de hele fietsbranche heeft nauwelijks last van recessie. Accell, de grootste fabrikant in Nederland, met merken als Batavus, Sparta, Koga-Miyata en Loekie kinderfietsen, maakte kortgeleden bekend een hogere winst en omzet te verwachten dan vorig jaar. Directeur René Takens in een toelichting: „Als het regent kunnen wij ook niet droog blijven, zou je zeggen, maar toch komen onze cijfers in het eerste kwartaal al weer uit boven die van vorig jaar.” Hoeveel de groei is wil Takens niet zeggen. Accell is beursgenoteerd en dat is dus beursgevoelige informatie.

Bij Gazelle, de grote concurrent van Accell, klinken soortgelijke optimistische geluiden. Gazelle-manager Ronald ter Braak meldt een „aanmerkelijke stijging” van het bedrijfsresultaat over 2008. Het bedrijf denkt zijn „groeidoelstellingen in 2009 „zeker” te behalen. „Bij onze dealers merken we wel enige terughoudendheid, maar in de doorverkoop naar consumenten valt dit minder te bespeuren. Blijkbaar behoort de fiets niet tot één van de middelen waarop mensen willen bezuinigen. Door de verstedelijking is er een groeiende behoefte aan praktische, kostenefficiënte mobiliteitsoplossingen. Met de auto kom je het centrum van een stad niet meer goed in, los van alle parkeerproblematiek en vervuiling.”

Stef Stock, secretaris van de afdeling fietsen van de RAI Vereniging, bevestigt de groei van de branche over de gehele linie, maar houdt, als het gaat om de vooruitzichten, wel een slag om de arm. Hij sluit niet uit dat consumenten iets eerder dan voorheen geneigd zijn hun oude fiets nog maar een keer te laten opknappen in plaats van een nieuwe te kopen. „Herstel levert de vakhandel ook omzet om, maar nieuwverkoop is beter.”

Maar bij rijwielhandelaren – 80 procent van de fietsverkoop loopt via de vakhandel – is hiervan niets te merken. „We hebben wel iets meer reparaties dit jaar. Maar ik heb er tot nu toe zeker niet minder nieuwe fietsen om verkocht dan in dezelfde periode vorig jaar”, zegt Martin Overdevest, eigenaar van fietswinkel Dusoswa in Leiden. De Fietsfabriek heeft ook een reparatiewerkplaats, voor alle merken. „Zowel reparatie als nieuwverkoop neemt bij ons toe”, zegt ook Dave Deutsch.

De Accell Group, gevestigd in Heerenveen, heeft in Nederland een marktaandeel van 30 procent. Directeur Takens leidt rond in de hal van Batavus, waar driehonderd mensen werken – de andere merken van de groep worden elders gemaakt. Het personeel in de fabriek zoeft langs op rode transportfietsen, de personal bike genoemd. Fietsproductie in Nederland betekent: spuiten en assemblage van onderdelen die vrijwel allemaal in het buitenland worden gemaakt. De frames, voorvorken en andere metalen delen komen uit Azië, hoofdzakelijk China; kleinere onderdelen worden in Europa gemaakt. „Assemblage moet zo dicht mogelijk bij de afzetmarkt plaatshebben”, legt Takens uit, „sommige onderdelen zoals de wielen zijn te kwetsbaar om over lange afstand te vervoeren.”

Voor Batavus en de andere Accell-merken, die elders worden geassembleerd, is met de lente de drukste tijd van het jaar aangebroken. „Je kijkt hier naar een voorraad van 25.000 fietsen”, zegt directeur Takens in het magazijn, „dat is straks de afzet van één maand.”

2008 was een goed jaar voor de Accell Group. De omzet steeg met 13 procent naar 538 miljoen euro. Accell haalt 40 procent van zijn omzet in Nederland. Andere belangrijke afzetlanden zijn Duitsland, Frankrijk en België. De nettowinst ging met 17 procent omhoog naar 28,6 miljoen euro. In Nederland daalde vorig jaar het aantal verkochte fietsen, maar door de stijging van de gemiddelde prijs per fiets (aan de leverancier), van 367 euro naar 415 euro, groeide bij Accell toch de omzet.

Takens verklaart dit uit de toename van de verkoop van de elektrische fiets, die in de winkel rond de 2.000 euro kost. Vorig jaar steeg de verkoop daarvan met 40 procent. „De elektrische fiets is af van zijn gezapige imago”, zegt Takens, bij de assemblagelijn van de elektrische Batavus Padova. Aan de buitenkant is nauwelijks meer te zien dat het geen gewone fiets is, de accu is weggewerkt als een lange staaf in de staande buis, het motortje zit in de achteras en is vrijwel geluidloos. Een elektrische fiets is geen brommer, het rijwiel geeft ‘trapondersteuning’ bij een snelheid onder de 25 kilometer per uur, maar de fietser moet zelf fietsen, anders staat hij stil. „Handig bij tegenwind of op hellingen”, zegt Takens.

Het optimisme in de fietsenwereld lijkt niet te stoppen. Yalçin Cihangir van De Fietsfabriek ziet voor de Nederlandse fietsindustrie een grote toekomst weggelegd. „De wereld is groot, maar Nederland denkt te klein. Er zijn zoveel landen waar je heel goed kunt fietsen, maar waar het nauwelijks gebeurt. Zo hebben wij nu een vestiging in Chicago. Amerika zal een belangrijk fietsland worden.” Maar hoe verhoudt zich dat met de filosofie van Cihangir, gericht tegen massaproductie? „Al die fietsen gaan wíj niet bouwen. Er is plaats voor heel veel kleine producenten, zodra de mentaliteit is ingesteld op fietsen.”

    • Lolke van der Heide