Een kleine, guitige man in Nederland-liedjesland

Henk van Gelder: Leen Alleen. Het bewogen leven van Leen Jongewaard.Nijgh & Van Ditmar, 271 blz. €18,50

Eén poging had het opdondertje ondernomen om zijn jongensdroom te verwezenlijken. Leen Jongewaard (1927- 1996) moet doodsangsten hebben uitgestaan toen hij, amper twintig, bij zijn held Wim Sonneveld op de stoep stond. Van deze ontmoeting is enkel bekend dat Sonneveld hem honend nabouwde: „Wat práát jij plet!” De onthutste Jongewaard kon toen nog niet vermoeden dat zijn Jordanese tongval in de tv-serie ’t Schaep met de 5 Pooten zo goed van pas zou komen.

Als hij nu twintig was geweest, had Jongewaard een filmpje op YouTube geplaatst in de hoop te worden ontdekt. Maar hij legde de lange weg af, van boekbinder en kelner tot musicalster en publiekslieveling.

De Amsterdammer die beroemd werd door zijn rol als inbreker Gerrit – en diens opa – in de tv-serie Ja zuster, nee zuster, stond veertig jaar op de planken, tot hij, uitgeput en depressief, het toneel afzwoer. NRC-journalist Henk van Gelder beschreef zijn leven in de biografie Leen alleen, op basis van oude interviews en gesprekken met oud-collega’s.

De oorzaak van de somberte die Jongewaard tegen het einde van zijn leven parten speelde, ligt volgens zijn biograaf in zijn jongensjaren. Als nakomertje in een groot gezin viel hem weinig warmte ten deel. Zijn moeder kwam voor negen zonen handen tekort en overleed toen Leen veertien was. Vader Jongewaard ging met de viskar rond en stond op zaterdagen op een kistje voor de Westerkerk Gods woord te verkondigen voor het Leger des Heils. Daar had Leen het kunstje afgekeken, zei hij eens. Maar zijn vader had hij wel gemist, voegde hij daaraan toe.

Dus deed Leen het alleen. Hoewel theater niet paste in een arm, protestants- christelijk milieu dook Jongewaard regelmatig de schouwburg in. Avondenlang drentelde hij over het Leidseplein, hopend op een glimp van grote sterren. Die leken oneindig ver weg.

Tot hij na acht jaar amateurtoneel werd ontdekt door Toon Hermans en bij Toneelgroep Puck (later Centrum) aan de bak kon. Mies Bouhuys, Pucks huisschrijfster, vond hem ‘om op te vreten. En het publiek vond dat óók.’ Maar de onzekerheid bleef. Het maakte dat Jongewaard zo ijverig was dat collega’s hem ‘het Zwitserse horloge’ noemden.

Behalve zijn accent zat ook zijn voorkomen Jongewaard in de weg. Hij was nog geen anderhalve meter en met zijn jongenskop en kinderlijk gedrag (snel huilen en gillend lachen) boekte hij weinig succes bij de vrouwen. Op zijn 32ste charmeerde hij toch de Friese beeldhouwster Jantje Schut. Maar hun huwelijk bleek niet bestand tegen Jongewaards hang naar mannen. In 1965 vertrok Schut.

Een nieuwe liefde vond Jongewaard in de jonge Brit Barry Stevens, die danste in Annie Schmidts musical Heerlijk duurt het langst. De volkshit ‘Op een mooie Pinksterdag’ bracht Jongewaard zijn vurig verlangde doorbraak. Maar cabaret bleef trekken. Toen Jongewaard, de vijftig gepasseerd, met Robert Long juichende kritieken oogstte met hun gezamenlijke cabaretshow, stroomde het geld binnen. Even leek Jongwaard echt gelukkig.

De neurose sloeg echter al snel toe. Jongewaard was bang zijn tekst kwijt te raken, slikte de hele dag uppers en downers. Zijn speelplezier ebde weg. En bij de derde show met Long boterde het niet meer zo tussen die twee. Ping Ping, een nieuwe musical van Schmidt, flopte.

Stevens werd na zeventien jaar samenzijn verliefd op een ander. In 1985 stortte Jongewaard in. Hij belandde in het ziekenhuis, een diepe depressie en de WAO. Volgens zijn psychiater leed hij aan wanen en was hij suïcidaal. Naar eigen zeggen moest hij ‘jarenlang janken’.

Tegen het einde van zijn leven krabbelde Jongewaard weer op. Hij las veel, werd vrijwilliger en maakte zelfs nog twee films met Theo van Gogh. Maar de meeste aanbiedingen sloeg hij af. Jarenlange therapie had hem zijn drijfveren ontnomen, zei Jongewaard. Hij wilde de stad uit, reizen. In 1996 kreeg hij een hartstilstand op een Frans strand.

De biografie verhaalt niet alleen over de handel en wandel van Jongewaard, maar geeft ook een kijkje achter de coulissen van het naoorlogse toneel, waar het niet louter pret was. Zo woedde op de set van Ja zuster, nee zuster zo’n strijd dat de artiesten elkaar bijna het beeld uit duwden, blijkt uit de gedegen, soepel geschreven reconstructie van Van Gelder.

Omdat de biograaf zich niet te buiten gaat aan interpretaties, maar zich hoofdzakelijk tot de feiten beperkt, blijft de lezer enigszins op afstand. Wie aan deze biografie niet genoeg heeft om het ontroerende opaatje weer tot leven te wekken, moet toch eens op YouTube kijken. Daar zingt Jongewaard – samen met Sonneveld –- nog net zo guitig als in 1968 ‘In een rijtuigje’.

Je krijgt er heimwee van, naar Nederland- liedjesland.

    • Leonie van Nierop