Een 'Great African Bildungsroman'

Hoe ziet het leven van een kindsoldaat eruit? Lees ‘Allah is niet verplicht’ van Ahmadou Kourouma en spreek u uit over de roman op nrcboeken.nl/leesclub.

Geweld is voor Afrika geen natuurlijk gegeven. De genocide in Rwanda en de burgeroorlogen in Congo, Liberia en Sierra Leone waren nieuwe verschijnselen. Stamoorlogen hadden regels en begrenzingen, maar in de totale anarchie van de jaren negentig was geen stad, geen dorp, geen huis en geen mens veilig. Nieuw was ook het verschijnsel kindsoldaten. Militair gezien zijn die van weinig nut. Ze zijn geschikt om de burgerbevolking te terroriseren, niet om getrainde soldaten te verslaan.

Het geweld van deze wereld weerspiegelt ten dele een onverwerkte koloniale erfenis; veel destructiever zijn het einde van de Koude Oorlog en de rol van binnenlandse corruptie en machtsmisbruik geweest. Maar dat is alleen de politieke buitenkant. Hoe werd deze periode ervaren door degenen die haar doorleefden?

Daarover lijkt Ahmadou Kourouma’s Allah is niet verplicht te gaan. Het is een kindsoldaat die hier spreekt, genaamd Birahimi. Hij is wees. Zijn moeder heeft hij zien wegrotten: ze is gestorven aan een onbehandelde zweer. Sindsdien wordt hij achtervolgd door schuldgevoel, of door haar vervloeking. Zijn omzwervingen in Ivoorkust, Liberia en Sierra Leone worden, soms wat geforceerd, verklaard als een zoektocht naar zijn tante Mahan. Tijdens die tocht sluit hij zich aan bij de verschillende milities die deze landen teisteren.

Birahimi is evenmin als Askar in Nuruddin Farahs Kaarten een realistisch personage: beiden ervaren de wereld, en spreken, als volwassenen. Ook zijn blik is niet onbevangen, maar cynisch: hij praat met de kennis en het inzicht van een ervaren politiek commentator, en als iemand die in niets of niemand gelooft – nog het minst in zichzelf. Van de plaatselijke religie, een mengvorm van christendom, islam en animistische tradities, moet hij niets hebben: goddelijke en demonische machten weerspiegelen hier niet alleen de onmacht van mensen, maar ook hun gebrek aan verantwoordelijkheid voor hun eigen daden.

Ook lapt Birahimi de regels van het klassieke Franse proza aan zijn laars, en trakteert hij de lezer op een imposant arsenaal aan Malinké-krachttermen. Zijn vrijmoedige, en dikwijls vulgaire, taalgebruik vertoont overeenkomsten met het Indiase Engels dat je in Salman Rushdies romans aantreft; maar hier heeft het een veel nadrukkelijker politieke lading.

Kourouma stelt de verafgoding van het klassieke Frans ter discussie doordat zijn hoofdpersoon zich onklassiek, grof, en meertalig uitdrukt. Letterlijk op elke bladzijde wordt wel een woord of uitdrukking in het Frans, Engels, Malinké, of Arabisch uitgelegd. Aanvankelijk komt deze neiging om alles te verklaren en te benoemen nogal hinderlijk en overbodig over; elke lezer snapt immers wel dat ‘scheet van een ouwe oma’ op iets zonder waarde duidt. Maar langzaamaan wordt duidelijk dat deze definities een literaire, en zelfs ronduit religieuze functie hebben. Birahimi’s krachttermen als ‘faforo’ en formules als ‘Allah is niet verplicht om rechtvaardig te zijn in wat hij besluit hier op aarde te doen’ hebben het karakter van fetisjen of bezweringen, waarmee hij probeert greep op zijn leven te krijgen.

Inderdaad schiet zijn taal tekort om de gruwelen in hun volle omvang te beschrijven. Herhaaldelijk weigert hij te vertellen over de gruweldaden van zijn kameraden. En van zijn eigen daden als kindsoldaat leren we – afgezien van diefstalletjes en een stiekeme verhouding – al helemaal niets.

In dit deprimerende universum zijn woorden machteloos; zelfs het afleggen van een eed of belofte verplicht de spreker nergens toe. Je vraagt je af of er nog een uitweg uit deze ellende is. Een happy end lijkt er niet in te zitten, maar maakt Birahimi dan tenminste een proces van loutering, catharsis of ontwikkeling door?

Uiteindelijk wel, maar niet op een voor de hand liggende manier. Hij wordt niet herenigd met zijn tante Mahan: die blijkt kort tevoren in een vluchtelingenkamp gestorven. Desondanks besluit de roman met twee momenten van troost, of zelfs verlossing, dankzij woorden. Eerst hoort hij dat de laatste woorden van zijn tante een uiting van zorg over zijn lot waren. Die blijk van liefde geeft hem het gevoel van eigenwaarde terug dat hij bij zijn moeders dood verloor, en verlost hem van het schuldgevoel. Tegelijkertijd, nog belangrijker, ontvangt hij met het overlijdensbericht van zijn tante een stel woordenboeken, variërend van de klassiek Franse Larousse en de Petit Robert tot de Inventaire des particularités lexicales du français d’Afrique noire en een Engels pidginwoordenboek. Daarin gaat hij letterlijk op zoek naar de taal en de woorden waarin hij zijn verhaal, of wat hij ‘mijn blabla’ noemt, kan vertellen, en waarmee hij zijn gewelddadige verleden van zich af kan zetten.

In laatste instantie gaat Allah is niet verplicht dus niet over kindsoldaten of over de politiek van West Afrika in de jaren negentig, maar over taal: het is Kourouma’s poging om de ‘Great African Bildungsroman’ van de late 20ste eeuw te schrijven. Wat mij betreft is hij daarin glorieus geslaagd.

Ahmadou Kourouma: Allah is niet verplicht. Vert. Mirjam de Veth. De Geus, 192 blz. € 15,90, €12,90 met bon uit NRC of via nrc.nl/extra.