Dialoog met God stil beluisterd

Ramsey Nasr las in Dordrecht een episch gedicht voor bij de opening van een expositie over Calvijn. „Hier ben ik, onbekwaam tot enig goed.”

Ramsey Nasr Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold dordrecht de dichter des vaderlands ramsey nasr foto rien zilvold Zilvold, Rien

„Mijn moeder is een halve paapse, mijn vader is een halve muzelman. Hoe kan daaruit een ongelovige protestant ontstaan met gevoelens van schuld? Ik vraag me af: zit die Calvijn nu in mij?”

Zo leidde Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr het gedicht in dat hij schreef voor de opening van de Calvijn-tentoonstelling, gisteravond in de Grote Kerk van Dordrecht. Koningin Beatrix was één van de vele honderden aanwezigen. Zijn Psalm voor een afkomst was een lange dialoog met God, die in stille aandacht werd aangehoord. Een psalm met voor veel aanwezigen tal van vertrouwde woorden, want Nasr bleek intensief studie gemaakt te hebben van de tale Kanaäns. Hij had niet alleen gelezen in het Hooglied en andere oudtestamentische geschriften, maar ook diverse berijmingen van de psalmen en zelfs gereformeerde belijdenisgeschriften geraadpleegd. „Hier ben ik/ onbekwaam tot enig goed/ geneigd tot alle kwaad/ van god en goden los.”

„Betoverend”, zei Tweede Kamerlid Jan Schinkelshoek (CDA), zelf afkomstig uit de kring der Oud-Gereformeerden. „Ik moet het gedicht nog een keer rustig nalezen, maar er zat iets in van het grijpen naar het hogere, naar de ere Gods. Ik vond dat hij de klank- en beeldtaal van de Bijbel knap had verwerkt.”

Herman Selderhuis, rector van de christelijke gereformeerde Theologische Universiteit in Apeldoorn en een van de organisatoren van de Calvijn-tentoonstelling, zei getroffen te zijn door de kracht en de schoonheid van de Nederlandse taal. „Ramsey Nasr heeft de motivatie van Calvijn geproefd. Hij peilde diens gevoel dat je de mens met zijn angsten niet aan zichzelf kan overlaten. De kracht van het gedicht is dat dit gevoel eens anders verwoord werd, terwijl het einde open bleef. Hij laat de hoorder verder denken.”

Toch was er een deel van de kerk dat na afloop van het lange gedicht niet applaudisseerde. Willem van Vlastuin, predikant van de hersteld hervormde gemeente in Katwijk vond het een knap gedicht, maar had wel zijn twijfels over de inhoud: „Ik vraag me af of Calvijn op deze manier met Gods heiligheid zou zijn omgegaan. Dat gaf me een gevoel van vervreemding.”

Annemarie van Oord uit De Meern had ademloos geluisterd. „Ramsey Nasr was mijn favoriet als Dichter des Vaderlands en dat heeft hij vanavond waar gemaakt, ook door zijn voordracht.” De katholieke Eduard Kimman, hoogleraar bedrijfsethiek aan de Vrije Universiteit, was niet geboeid. „Zijn inleidende woorden aan de koningin waren heel open, met een milde relativering, maar tijdens het gedicht dwaalden mijn gedachten weg.” De Dordtenaar Rijk van de Lagemaat, actief in de gereformeerde Wilhelminakerk, meende een gereformeerde drieslag te zien in het gedicht: zoektocht, aanklacht tegen God en bevrijding. „En dan die voordracht, hij legt er zijn hart en ziel in.”

Eerder op de avond had Valentijn Bijvanck, directeur van het Nationaal Historisch Museum, het verband gelegd tussen het calvinisme en de Nederlandse neiging om alles openbaar te willen laten zijn. Nederlanders laten hun gordijnen open om te laten zien dat er bij hen echt niets mis is. De camera’s die iedereen nu accepteert in de openbare ruimte hebben, meende hij, te maken met de gedachte die Calvijn ooit formuleerde: de mens is geneigd tot het slechte, en om te voorkomen dat er zonde wordt bedreven moet alle leven zich in de openbaarheid afspelen.