De Seine als snelweg

Op initiatief van president Sarkozy hebben tien architecten zich gebogen over het Parijs van de toekomst. Le Grand Paris moet één grote ecologische stad worden, die tot aan de kust bij Le Havre mag reiken.

Nicolas Sarkozy op de opening van Le Grand Paris Foto AFP French President Nicolas Sarkozy visits the Great Paris" exhibition on April 29, 2009 at the Architecture Museum in Paris, after oulining plans for an overhaul of transport and design in the capital and its suburbs, to create a dynamic new "Greater Paris" region. French President Nicolas Sarkozy has unveiled an ambitious, costly new plan to rethink the structure of Paris and its troubled suburbs. Ten architect cabinets presented blueprints aimed at adapting the Paris metropolitan area to modern needs. AFP PHOTO POOL FRANCOIS MORI AFP

Uit Parijs, mei 2030, de volgende briefkaart: „Beste achterblijvers. Goed aangekomen in Parijs, voorheen Le Grand Paris. Het CO2-verwerkende bos bij het vliegveld van Roissy – het project dat president Sarkozy begin deze eeuw van de Rotterdammer Winy Maas overnam – heeft ons niet kunnen verlossen van schuldgevoel over onze reis per comfortabel vliegtuig. We hebben een fijn hotel in het nieuwe stadscentrum, bij de Port de Gennevilliers. De Ecocité Verticale van Jean Nouvel die hier langs de plezierkades staat, valt een beetje tegen: gewoon een rij hoge luxe torens met uitbundig groen op het dak en op de balkons!

Gennevilliers lijkt trouwens in niets meer op de voorstad die het amper twintig jaar geleden nog was, met een industriële haven en een bevolking van arbeiders en migranten. Dat hier toen probleemwijken waren, is nog moeilijk voorstelbaar. Je moet nu rijk zijn om hier te wonen! De nieuwe nationale opera, type Sydney, en het museum Ecoplanète, waar we natuur en klimaat kunnen eren, ogen majesteitelijk. Twee bedenksels van architect Roland Castro, weet je nog? Die oude door 1968 geïnspireerde beroepsdromer is er toch maar mooi in geslaagd in samenwerking met anti-68-president Sarkozy de banlieue af te schaffen!

Morgen gaan we via de fonkelnieuwe trein-, metro- en bushub Paris Nord, in de ex-banlieuestad Saint Denis, door het lange park van de Brit Richard Rogers wandelen naar Le Petit Paris, het historische centrum van de stad. Zeven kilometer bomen! En overmorgen rijden we van het nieuwe centraal station, La Défense, naar het strand bij Paris-sur-Mer (vroeger de afzonderlijke stad Le Havre). Zoals de urbanist Antoine Grumbach al voorspelde: een uurtje maar, met de stads-hsl…

Groetjes uit de post-Kyoto-metropool.”

Zou het zo worden, over twintig,

dertig, veertig jaar? Parijs als een vergrote versie van een willekeurig Frans provinciestadje, met het oude centrum voor de toeristen en het echte leven erbuiten, in een nieuwe stad? Een „exemplarische stad”, zoals Winy Maas van het Rotterdamse bureau MVRDV belooft, efficiënt en ecologisch, harmonieus en toegankelijk?

Oké, weinig kans. De briefkaart is verstuurd na een avondje grasduinen in de Cité de l’Architecture in Parijs. Tien teams van architecten en planologen exposeren daar tot eind november hun ideeën over ‘Le Grand Paris’, de urbane utopie van president Sarkozy. Het is een goede plaats voor dromerijen, te midden van fragmenten historische hoogtepunten van de Franse bouwkunst, ondergebracht in het Palais Chaillot tegenover de Eiffeltoren.

Sarkozy heeft lof gekregen voor zijn initiatief om tien architecten en urbanisten te vragen met hun teams vrijelijk te filosoferen over wat Parijs nodig heeft. Ze hoefden geen rekening te houden met budgetten voor het uitvoeren van hun projecten, met bouwtermijnen, bestuurlijke structuren of andere praktische hindernissen. De Franse ‘starchitectes’ Jean Nouvel, Christian de Portzamparc en anderen was ook niet gevraagd hun ego’s op te laten gaan in een soort collectieve droom voor een nieuwe wereldstad. Ze waren niet met elkaar in competitie, al fluisterden sommigen dat Nouvel, de grootste ster in Frankrijk, eigenlijk wel verwacht had deze maand de exclusieve opdracht binnen te slepen om heel Parijs te mogen verbouwen. Parijs is immers al een beetje zijn stad, met het Institut du Monde Arabe en het Musée du Quai Branly op strategische punten langs de Seine en de Fondation Cartier ten zuiden van de Jardin du Luxembourg.

Maar het was geroezemoes om niets. De Pritzkerprijswinnaar van vorig jaar blijkt over Le Grand Paris minstens even ornamenteel als monumentaal te denken. De toren van Montparnasse krijgt bij hem een hoedje van glas- en betonschetser Franck Gehry, en stadsvernieuwing komt „veeleer van aanvullen dan van vervangen”. Balkons op de troosteloze voorstedelijke cités, lege fabriekspanden ombouwen, en er ontstaat vanzelf „nieuwe harmonie in de probleemwijken”. Wel een programma waarmee een president snel aan de slag kan.

Alleen, Nicolas Sarkozy is

Napoleon III niet. Anderhalve eeuw geleden was het eenvoudig. Na twee jaar gekozen presidentschap riep de neef van Napoleon Bonaparte zichzelf in 1852 tot keizer uit en gaf de prefect van Parijs, baron Haussmann, de opdracht Parijs grootsteedse allure te geven, zoals Londen. Als hij al in zijn voetsporen wilde treden, zou het Sarkozy aan allerlei cruciale middelen ontbreken. Aan tijd: de Franse president is, sinds kort, gebonden aan een maximum van twee termijnen van vijf jaar. Aan macht: het Parijse centralisme is niet meer wat het geweest is. Burgers en vereniging hebben recht op inspraak, lokale en regionale autoriteiten moeten meebeslissen. En daarbij, aan geld. Le Grand Paris is te groot als bouwproject.

Het enige plan waarachter Sarkozy een kruisje heeft gezet met een geldbedrag, 35 miljard euro, is een nieuw transportnetwerk rond de stad, van metro’s zonder bestuurder en tgv-verbindingen tussen de vliegvelden. De aanleg begint op zijn vroegst in 2012 en duurt op zijn minst tot 2025.

Nadenken, daar gaat het dus voorlopig om. De stad doordenken. En dat houdt niet op met deze expositie. De volgende stap is een permanent gemeenschappelijk atelier, een Maison du Grand Paris, waar de betrokken teams van architecten en planologen worden geacht te werken aan het bedenken van de betere stad.

Wat levert Parijs als casus voor virtuele stedenbouw op? De stad heeft twijfelachtige papieren als urbaan laboratorium. Aan de ene kant is Parijs al eeuwen een stad van bestuurlijke wilskracht en bouwkundige masterplans. Niet alleen van baron Eugène Haussmann. Orde zat er al in de stad sinds zij in de Middeleeuwen groeide in concentrische lagen, doorkruist door rechte lijnen. Koningen als Henri IV besloten al over de aanleg van pleinen en faubourgs met gevoel voor de symbolische uitstraling op hun macht. Sinds 1695 zijn er in Parijs altijd min of meer strak bedachte plannen voor stedelijke inrichting geweest.

In de twintigste eeuw zette de republiek die traditie voort in een nieuwe context: de opdracht was voortaan om Parijs en zijn uitdijende banlieues beter met elkaar te verbinden. De architect-planoloog Henri Prost probeerde het in 1934 met een min of meer gelijkmatig web van autowegen rond Parijs. In de jaren zestig kreeg de topambtenaar Paul Delouvrier, als een postkeizerlijke erfgenaam van Haussmann, genoeg macht om de aanzet te geven tot de bouw van vijf villes nouvelles, over alle windstreken verspreide satellietsteden.

Delouvrier blijkt in de Cité

de l’Architecture in veel opzichten een voorloper van Le Grand Paris. Zo maakten de nieuwe steden voor hem deel uit van een Paris polycentriste, dat de centrumfunctie van de oude stad relativeerde. De term keert nu vaak terug. Delouvrier speelde ook met de uitbreiding van Parijs tot aan Le Havre, een idee dat nu weer is afgestoft.

Maar tegelijk heeft juist de traditie van stedenbouwkundige experimenten Parijs tot een ongelukkig buitenbeentje onder de Europese metropolen gemaakt. Parijs is krapper en minder groen dan Londen of Berlijn. Een stad met een sterkere tweedeling tussen binnen en buiten dan de andere grote steden. Veruit de meeste Parijzenaars, zo’n negen miljoen, wonen in voorsteden of in verder gelegen villes nouvelles als Evry of Cergy-Pontoise. Binnen de périph wonen iets meer dan twee miljoen mensen.

Dat knusse binnen-Parijs gaat elk jaar een beetje meer lijken op een openluchtmuseum op wereldschaal, gedomineerd door urenlange wachtrijen voor monumenten en musea. Parijs dreigt een Potemkin-stad te worden, mooi van buiten, leeg achter de façades. Bedrijven ontvangen er hun beste klanten op een chique hoofdkantoor, terwijl hun werknemers elke dag uit hun voorsteden naar een goedkoper, ruimer, handiger kantoor in een andere voorstad forenzen. Parijs staat voor wat Frankrijk van zichzelf bewaren wil: schoonheid, grootsheid, gratie, de republiek, de cultuur met haar gecodificeerde esthetische regels. Daarbuiten, aan de andere kant van de périph, leeft en broeit een ‘wilde’ samenleving, waar het Frans bijgeslepen en vernieuwd wordt, waar nieuwe muziek- en poëzievormen ontstaan, maar waar men zich ook buitengesloten voelt, vormeloos, hors la République, alledaags.

En dat is niet alleen een migrantenkwestie. La banlieue, een woord dat sinds de rellen van 2005 internationaal synoniem is geworden voor probleemwijken, is in werkelijkheid van iedereen. Een lappendeken van afwisselend zones met probleemflats en, soms enkele tientallen meters verder, uitgestrekte wijken met vrijstaande huizen en tuintjes. Tussendoor liggen talloze ‘residences’: betere flats, met een beschermde binnentuin en goed betaalde conciërges. Wie op zoek gaat naar een eerste eigen huis-met-tuin zoekt op tientallen kilometers buiten Parijs.

Hoe van deze urbane lappendeken

met steeds grotere gaten een eenheid valt te maken is al jaren dé prangende Franse vraag. „Ik ken geen enkele grote stad waar het hart zo los verbonden is met de ledematen”, zegt Richard Rogers, die jaren met de Londense burgemeester Ken Livingstone werkte, over Parijs. Maar Sarkozy heeft grote wensen. Hij bleek vorige week te dromen van niet minder dan het verdwijnen van de banlieue. Parijs moet eindelijk „één stad” worden, zei hij bij de opening van de expositie.

Kan dat? In de oorspronkelijke opdracht, die Sarkozy vorig jaar verstrekte, werd aan de architecten gevraagd met voorstellen te komen voor de inrichting van de ‘post-Kyoto-metropool’. Dat bleek een te lastige vraag. Na een jaar werken, discussiëren, tekenen, kwam de organisatie van Le Grand Paris, in handen van minister van Cultuur Christine Albanel, niet tot preciezere omschrijvingen dan dat de grote stad van de toekomst „ecologisch verantwoord” moet zijn, en „ingebed in zijn natuurlijke omgeving”.

Maar de zoektocht naar eenheid heeft gaandeweg de overhand genomen. Niet in de vorm van een tabula rasa, om ruimte te maken voor de ideale stad. „Alsjeblieft geen masterplans”, zegt de Brit Richard Rogers. We moeten „voortbouwen op wat al bestaat”, echoot Jean Nouvel. Gaten dichten, verbanden leggen, ophogen en aanvullen, dat is moderne stedenbouw. Urbanisten scheppen losse eindjes, de mensen vullen de stad. De jonge Frans-Algerijnse architect Djamel Klouche trekt daaruit de consequentie dat stedenplanning niet meer gepaard moet gaan met cartografie. Hij maakt dwarsdoorsnedes van plaatselijke „geërfde Parijse situaties”, waar de geschiedenis, de sociale en natuurlijke context „gecondenseerd oplichten”.

De gedachte dat 21ste-eeuwse stadsplanning een kwestie is van stapsgewijze, piecemeal urban engineering, duikt soms in charmante vorm op, zoals bij Klouche. En soms met vernuft, zoals in Maas’ City Calculator, een computerprogramma dat de behoefte aan en het benutten van ruimte voor energie, behuizing en scholing berekent.

Maar uiteindelijk blijkt een zeker grand design onvermijdelijk. Het grootste verschil met de vroegere Parijse stadsplanners is dat de urbanisten van nu nog wat stelliger dan Delouvrier de notie van een centrum op het spel zetten. De ‘villes nouvelles’ keren in verhevigde vorm terug, heten nu afwisselend ‘hubs’, ‘polen’ en ‘magneten’, en zijn nu eens universitair, dan gerechtelijk, of economisch, of alles tegelijk.

Wat ze met elkaar verbindt, is niet zozeer de kern in het midden, maar vooral snel vervoer. Elk project heeft wel zijn uitzwervende metrolijnen, oplichtende treinstations, microcentrische busaansluitingen. Planoloog Yves Lion ziet kans in de regio een half uur op de reistijd te besparen „en de temperatuur met twee graden Celsius omlaag te brengen”. Volgens Nouvel moet het mogelijk zijn elke stadsreis van a naar b in een half uur af te leggen.

De belangrijkste tegenstelling die door dergelijke prognoses heen speelt, is wat je de strijd tussen de rekkelijken en de compacten zou kunnen noemen. De rekkelijken zien Parijs nog wel groeien tot zo’n zestien miljoen inwoners. Ze worden aangevoerd door Antoine Grumbach, die Parijs in feite naar het westen verschuift. Hij laat de stad langs de Seine naar de zee slingeren, indachtig Braudels overweging dat Parijs „lijdt onder zijn continentale ligging”. De Seine beschouwt hij als hoofdweg van Parijs, met hsl-lijnen en snelweg ernaast.

Bij de compacten behoren onder anderen de hoogbouwers Nouvel en Maas, het Italiaanse duo Benardo Secchi en Paola Viganò, die het concept van een ‘poreuze stad’ voorstaan (afwisseling dicht en licht) en de Duitse architect Finn Geipel, wiens plannen cirkelen rond de ‘lichte stad’.

Maar voorbij deze schaalstrijd vallen toch vooral de overeenkomsten op. De alomtegenwoordige aandacht voor beweeglijkheid van multipolair opererende stadsbewoners doet denken aan een zinnetje van een urbanist die niet aan Sarkozy’s project meedoet. Volgens Paul Virilio wisselen we in onze stadssamenleving gaandeweg „identiteit” in voor „traceerbaarheid”, zo profeteerde hij onlangs per film op een expositie in de Fondation Cartier onder de titel Terre Natale, Ailleurs commence ici. Waar je vandaan komt, moet in verband worden gebracht met waar je heen gaat, niet met wortels, sociale of etnische herkomst.

Virilio’s traçabilité heeft een element van controle in zich: we weten waar je bent. Dat is een kwestie van belang, zo blijkt al uit de af en toe oplevende discussies over de in Parijs alomtegenwoordige Passe Navigo, de oplaadbare kaart die tegenwoordig dienst doet als abonnement op zowel openbaar vervoer als de grijze vélib’-fietsen die overal in Parijs staan. Zeker wanneer deze functie straks is geïntegreerd in de telefoon, net als de bankpas (nu onderwerp van studie), wordt traceerbaarheid een dwingend deel van het stadsleven.

Zo’n grimmig perspectief op de beklemmende kanten van de toekomstige stad is de urbanisten en architecten van Le Grand Paris vreemd. Ze hebben een opvallend vrolijk idee van steedse beweeglijkheid. Hun centrum- en voorstadloze netwerkstad is een utopie van menselijke ontplooiing. Volgens Yves Lion betekent urbaan gedrag dat „mensen min of meer beleefd met elkaar omgaan”. Rogers verklaart: „De stad is er voor ieders plezier”. Nouvel streeft naar „het ontstaan en herleven van duizend-en-één Parijse gelukservaringen”. Castro schetst een metropool die „solidair en poëtisch” is. Grumbach vindt het een „poëtische gedachte” dat Parijzenaars in een uurtje in eigen stad aan zee kunnen zijn.

De banlieueloze stad waar Sarkozy van droomt blijkt ook een utopie van de stad zonder rand, zonder marges en rimpels. Probleemwijken zijn verdwenen. Ziekenhuizen, gevangenissen, politiebureaus, schuilkelders voor klimaatrampen en bomaanslagen lijken collectief vergeten, of weg gedacht, genegeerd. Op kwade wil, onrecht, pech en rampspoed, op de onvolkomenheid van mensen met en zonder macht, is Le Grand Paris, de urbane utopie van Nicolas Sarkozy, niet berekend.

Le Grand Paris. T/m 22 nov in Cité de l’architecture & du patrimoine. Inl: www.citechaillot.fr

    • René Moerland