De schuur als architectuur

Architectenbureau Onix weet gebouwen te ontwerpen die de tradities van het platteland in ere houden zonder dat ze tuttig worden. Nu maken ze ook kantoortorens van hout.

Multifunctionele schuur, Noordlaren door Onix Architecten

Het seizoen van lammetjes en boterbloemen is aangebroken en de Friese weiden liggen er sappig bij. Het is een landschap vol verleden, van zowel het oude als het nieuwe soort. De historische stadjes zijn onveranderd pittoresk, de boerderijen nog altijd imposant, maar daar is een kokette romantiek bijgekomen: die van de nagelnieuwe boerderette, het vakantiehuis van gepotdekselde planken met klokgevel, de woonwijk als middeleeuwse veste. ‘Vroeger’ en ‘landelijk’ doen het tegenwoordig goed in de Nederlandse architectuur.

In dit retroklimaat, waarin het verleden klakkeloos op vorm maar niet op inhoud wordt nageaapt, is het werk van het Groningse architectenbureau Onix een frisse wind. Oprichters Haiko Meijer en Alex van de Beld hebben een eigen stijl ontwikkeld waarin ze op een vernieuwende manier voortbouwen op het oude en het vertrouwde. Ze werken vaak in hout, een materiaal dat warmte uitstraalt, niet duur is maar wel duurzaam en uitnodigt tot zelfwerkzaamheid en improvisatie. „Traditie moet je niet beschermen door haar te bevriezen, maar door die telkens opnieuw uit te vinden”, zeggen ze.

Dat levert expressieve en beweeglijke vormen op: een dak dat als een waterval tot aan de grond reikt en naadloos overloopt in een steiger, een schuur met een knik erin, een brug als een mandje van gevlochten en gebogen hout. Het dak, de schuur, de brug – dingen die we in één oogopslag herkennen, maar die nu net even anders zijn. Onix combineert het geruststellende van het vertrouwde met het verontrustende van de mutatie. ‘Vreemd-vertrouwde architectuur’ noemen ze het zelf – verbonden met het regionale en het historische, zonder in pastiche of oubolligheid te vervallen. Het werk van Onix kun je beschouwen als een doorlopend onderzoek naar wat vandaag de dag authentiek is, iets wat je niet kunt kopen, maar waar je je toe kunt verhouden.

Meijer (47) en Van de Beld (46) komen

allebei uit het noorden, de een uit Groningen en de ander uit Leeuwarden, en zijn er altijd blijven wonen. „We zitten hier in de luwte”, zegt Meijer, „en dat bevalt me wel. We hebben de tijd en de ruimte gehad om ons gedachtengoed door te ontwikkelen.” Meijer en Van de Beld leerden elkaar kennen op de Academie van Bouwkunst in Groningen. Ze werkten allebei bij bekende bureaus in het noorden – de ene bij Gunnar Daan, de ander bij Karelse van der Meer – tot ze vijftien jaar geleden besloten voor zichzelf te beginnen. Inmiddels hebben ze 25 medewerkers die werken in de voormalige kleedkamers van een openbaar zwembad aan de rand van het centrum; bij wijze van bedrijfsfitness kunnen ze een duik nemen.

Twee jaar geleden is Van de Beld met zijn Zweedse vrouw nog verder naar het noorden getrokken: hij heeft een dependance van Onix in Zweden geopend. Sinds kort hebben ze hun eerste project in het buitenland, een massief houten gebouw met 75 woningen en kinderopvang in het Noorse Stavanger. „De vorm verwijst naar de oude pakhuizen in de stad. Dat vonden de Noorse collega’s oubollig. Ik heb ze uitgelegd dat het juist modern is om van het oude iets nieuws te maken. Grappig dat wij als Nederlanders de Noorse tradities weer laten herleven.”

Stad en platteland vloeien in Nederland steeds meer in elkaar over, zegt Van de Beld. „Onverstoorde natuur kennen we hier ook niet. De koeien verdwijnen en in hun plaats komen kamelen en lama’s. In de weiden staan er jaarrond ijsbanen met koelelementen. Wat gaat er met het boerenerf gebeuren als alle boeren weg zijn en de boerderijen door welvarende stedelingen zijn opgekocht?”

Het wonen in de periferie heeft hun belangstelling aangewakkerd voor landelijke gebouwtypes in een nieuwe gedaante. Een van hun eerste projecten, waarmee ze al snel landelijke bekendheid kregen, was een ‘schuur’ in het Groningse Noordlaren voor een modeagent, met een kantoor, een showroom voor inkopers, logeerruimte en een groot overdekt terras. „Als u een schuur wilt, waarom gaat u dan niet gewoon naar de Praxis?” hadden ze hun opdrachtgever uitdagend gevraagd. Maar dit hebben ze niet bij de Praxis, deze gemuteerde variant met een knik in het dak waardoor het net lijkt alsof het z’n hoofd draait om je aan te kijken. „Een schuur definiëren wij als ‘een functionele ruimte met een karakter dat uitdaagt tot een ander gebruik’ ”, zegt Van de Beld. „In onze overgereguleerde wereld biedt de schuur een prettige anarchie. Zoveel huizen zijn al zo helemaal af, de flexibiliteit en veranderlijkheid zijn er helemaal uit verdwenen. Wij brengen dat hierin terug, maar hebben het romantische beeld abstract gemaakt.”

Dat zou je ook kunnen zeggen van het huis dat ze ontwierpen voor een gezin in Zuiderburen, een nieuwbouwwijk op een eiland aan de rand van Leeuwarden. Het huis is opvallend anders dan zijn buren, die al niet alledaags zijn – deze wijk mocht zonder inmenging van de welstandscommissie worden gebouwd. Het opmerkelijkste van het huis is het dak, een eindeloze hellingbaan van hout die van de nok tot aan de grond loopt om vervolgens een steiger te vormen. „Maar dan nog viel het niet mee om het dak zo te bouwen”, vertelt eigenaar Bernard Maarsingh, die vandaag voor zijn wekelijkse papadag thuis is met twee van de vier kinderen. „Alleen door het gedeelte tussen het huis en de steiger ‘terreininrichting’ te noemen, konden we het zo maken.”

Onix hanteerde een aantal regels: de materialen moesten uit de directe omgeving komen, het ontwerp moest geen letterlijke historische verwijzingen bevatten en de architecten waren niet de enige auteur. Architecten en opdrachtgever benadrukken dan ook dat het huis in samenspraak is ontstaan. Van binnen loopt het als een slakkenhuis omhoog: op de begane grond zijn de kinderslaapkamers, de woonkamer en de keuken, dan een tussenverdieping met een grote tafel, en verder omhoog naar de ouderlijke slaapkamer. Hun badkamer zit als de kers op de taart in de nok, onder het schuine dak, met uitzicht op het terras.

Onix houdt zich niet alleen

met schuren en boerderijen bezig, maar ook met hoogstedelijke plekken. Ze waren een van vijf bureaus die de Rijksgebouwendienst uitnodigde om ideeën te ontwikkelen voor een klimaatvriendelijke lowtech kantoortoren met een houten constructie, een vloer van baksteen, natuurlijk daglicht en ventilatie gedreven door wind- en zonne-energie. Voor een ideeënprijsvraag van de Groningse Dienst Ruimtelijke Ordening genaamd de ‘Intense Stad’, ontwierpen ze een nieuwe luchtstad bovenop bestaande gebouwen in de binnenstad. Op het platte dak van popcentrum Simplon komt een nieuw buitenpodium, de meubelmaker wil wel een ruimte voor een visiting artist op z’n dak, het studentenhotel wordt met een aantal verdiepingen uitgebreid, en dit alles wordt verbonden met een ‘dakstraat’ die op, over en tussen de daken kronkelt. Van de Beld: „Dit is wat je moet doen als je niet wilt dat heel Nederland één uitgestrekte horizontale stad wordt.”

De kantoortoren en de ‘Intense Stad’ zijn gedachtenoefeningen; in de praktijk zijn ze vaker bezig ‘rood’ (bebouwing) en ‘groen’ op elkaar te betrekken. Ze halen het platteland de stad binnen. In de Amsterdamse wijk Slotervaart hebben ze een stedebouwkundig plan gemaakt voor een complex met tweehonderd woningen, een school en een moskee. Meijer: „Het plan begon als één monolithisch blok waar iedereen erom streed aan het park te liggen. Dat blok hebben we binnenste buiten gekeerd waardoor alle onderdelen nu het park delen en het schoolplein, dat ’s avonds een gastvrije plek voor de buurt is.” Van de Beld: „Wij blijken een dichtgetimmerde situatie te kunnen openbreken.”

In Almere wisten ze het bekende patroon van ieder-z’n-eigen-minituintje-met-schutting te doorbreken met ‘verandawoningen’ die ze in een collectieve tuin plaatsten. Een overwinning op het rijtjesdenken, vindt Haiko Meijer. „Onder ieder dak zit een aantal verschillende woningen met veranda’s die uitzicht bieden op die grote groene buitenkamer – in Amerika zou dat een golfbaan zijn. Voor de mensen die daar wonen is dat collectieve landschap net zo belangrijk als de architectuur. En het zijn gewoon Vinex-prijzen, hoor.”

Van niets naar nergens:

het nieuwste ontwerp van Onix – in samenwerking met de Friese architect Hans Achterbosch (samen vormen zij OAK, Onix Achterbosch Kunstwerken) en constructeur Emil Lüning – is een spektakelstuk op een onopmerkelijke locatie. Het verbindt twee bedrijventerreinen aan de rand van Sneek. Juist het laconieke van die plek versterkt het verrassingseffect. De brug, een overspanning van 32 meter, lijkt wel gevlochten van dikke balken. Als je aan komt rijden over de A7 vormen de spanten een driehoek, als je eronder staat, vormen ze een boog. De brug moest het zware verkeer aankunnen tussen de bedrijventerreinen en heeft daarom een stalen dek tussen twee dikke houten spanten. De bogen van de brug bestaan uit drie gekromde balken die met deuvels aan elkaar zijn vastgemaakt. Dat vlechtwerk was nodig om de constructie stabiliteit te geven; door de kromming van de spanten verandert de vorm afhankelijk van waar je staat. Vorm en functie vallen prachtig samen. Haiko Meijer: „Dit is niet alleen bedoeld als een functionele brug, maar ook als een stadsmarkering. Omdat het van hout is gemaakt is het ook een verwijzing naar vakmanschap, naar botenbouw – Sneek is een waterstad – en naar stolpdaken van oude boerderijen die als piramiden uit het vlakke land oprijzen.”

Niet alleen de vorm is ongekend, ook het materiaal is helemaal nieuw. Op het bureau had Meijer al een blok hout laten zien dat als een sculptuur tussen de maquettes staat. Het blijkt accoya te zijn, geprepareerd naaldhout uit Nieuw-Zeeland dat volgens hem een uitstekende vervanger is van hardhout. Het hout komt in een soort azijnbad waardoor het niet meer rot of door insekten wordt aangevreten. Daarna wordt het tot kleine planken verwerkt die aan elkaar worden gelamineerd tot grote balken. Fantastisch vindt hij het dat je van goedkoop waaibomenhout hoogwaardig materiaal kunt maken. Het accoyahout kwam net als nieuw product op de markt en was bedoeld voor kozijnen en gevelbekleding, maar het is meteen een hele brug geworden. Van de Beld: „De gemeente, de provincie en Rijkswaterstaat hebben allemaal wel hun nek hiervoor uitgestoken.” De brugdelen werden in Zuid-Duitsland gemonteerd, op een soort enorme praalwagen naar Sneek vervoerd en daar onder applaus met een kraan op hun plek gehesen.

Zodra je iets hebt gemaakt weet je hoe het beter had gekund, zegt Meijer. Volgende keer zullen ze bijvoorbeeld de verlichting beter in de constructie integreren. Die kans krijgen ze, want verderop komt een tweede, lichtere variant van deze brug over de A7 voor voetgangers. En misschien komt er een mogelijkheid om dit experiment in het groot uit te voeren: Onix is een van drie finalisten voor de verbreding van de Hollandse Brug tussen Amsterdam en Almere. Dit najaar wordt de keuze bekend. Die brug wordt ook van hout, maar dan wel van Nederlandse populieren. „Liefst zou ik nu meteen alvast de bossen gaan aanplanten.”

Het ontwerp van Onix voor een klimaatvriendelijke kantoortoren is t/m 23 mei te zien bij het Amsterdamse architectuurcentrum Arcam. Dit najaar verschijnt een boek over hun werk met de titel Wood Works Onix.