Dan zijn de mensen gelijk en tevree

Wetenschappers onderzochten de relatie inkomensverschillen, gezondheid en criminaliteit. Voor arm én rijk blijkt gelijkheid beter.

Café ‘De Poedel’ in Rotterdam, een foto van Otto Snoek, wiens werk nog tot 17 mei te zien is in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam foto: Otto Snoek Snoek, Otto

Richard Wilkinson en Kate Pickett: The Spirit Level.Why More Equal Societies Almost Always Do Better. Allen Lane, 331 blz. € 31,40

Wie maakt nog wel eens een praatje met iemand die veel minder verdient? Een gesprek van mens tot mens? Zoals aan de toog van ‘dat kleine café aan de haven’ waar Pierre Kartner, alias Vader Abraham, over zong: ‘daar zijn de mensen gelijk en tevree […] daar telt je geld of wie je bent niet meer mee’?

De kans op zo’n ontmoeting wordt in veel westerse landen steeds kleiner, als we de Britse wetenschappers Richard Wilkinson en Kate Pickett mogen geloven. Zij publiceerden onlangs een goed leesbaar boek over hun jarenlange onderzoek naar de maatschappelijke gevolgen van inkomensongelijkheid, The Spirit Level. Het boek kreeg veel aandacht in de Britse media. De tijd leek er rijp voor nu bankiers uit de City het bij een groot deel van de bevolking hebben verbruid.

De onderzoekers laten zien welke druk toenemende inkomensverschillen op de samenleving leggen. Een sleutelwoord daarbij is status. Door die statusverschillen – zichtbaar in kleding, auto, huis – krijgt men als het ware de zenuwen. Waar sta ik op de ladder? Wie het niet redt, of door zijn afkomst de wind tegen heeft, wordt vergeten of opgesloten.

Ongelijkheid betekent niet alleen dat mensen uit verschillende sociale klassen elkaar niet meer ontmoeten. Wilkinson en Pickett (beiden werken aan de Universiteit van Nottingham) stellen dat inkomensongelijkheid ook een directe, negatieve invloed heeft op de volksgezondheid, onderwijsprestaties en criminaliteit. De twee onderzoekers zijn sociaal epidemiologen; ze bestuderen de sociale factoren die gezondheid beïnvloeden. Het duo heeft het perspectief verbreed tot terreinen als onderwijs, criminaliteit en milieu.

Het boek heeft een eenvoudige boodschap die met veel cijfermateriaal wordt onderbouwd. In een land met een sterke inkomensongelijkheid zijn mensen eerder ziek en depressief, vermoorden ze elkaar sneller, worden ze vaker en langer opgesloten, raken ze eerder verslaafd, gaan mensen minder voorzichtig om met het milieu en raken tieners vaker zwanger.

Als de twee onderzoekers de inkomensongelijkheid in ruim twintig westerse landen vergelijken met allerlei maatschappelijke problemen, blijkt keer op keer een sterk verband. Landen met een lage inkomensongelijkheid als Noorwegen, Finland en Japan, doen het goed, landen met een hoge inkomensongelijkheid, zoals Portugal en de VS doen het slecht. Nederland zit in de middenmoot.

De oorzaak van de negatieve gevolgen van ongelijkheid zou vooral liggen in de angst, stress en minderwaardigheidsgevoelens die een grote inkomenskloof met zich meebrengt. De belangrijkste bronnen van stress zijn sociaal: een lage status, weinig vrienden, stress als jong kind. Dit vergroot weer de kans op ziekte, angst, neerslachtigheid. De ervaring van stress en depressie kent in veel westerse landen een opgaande trend, de ongelijkste landen voorop.

Met dit onderling vergelijken, het maken van een pikorde, heeft volgens de auteurs iedereen te maken, rijk en arm. Onzekerheid over de eigen positie in de sociale hiërarchie blijft knagen, ook bij mensen die het goed hebben getroffen. De bovenklasse is misschien wel in financiële zin ‘gearriveerd’ of ‘geslaagd’, maar niet in psychologische zin. Daar duidt de titel ook op: het draait om de spirit, de mentaliteit, de instelling van mensen. In landen met een spirit van ongelijkheid worden van hoog tot laag meer uren gewerkt, besteden mensen minder tijd aan het onderhouden van vriendschappen, steken mensen zich dieper in de schulden om status gerelateerde spullen te kopen en dromen hele schoolklassen jonge kinderen ervan beroemd te worden. In zo’n land voelen de mensen bovenaan een voortdurende druk om nog succesvoller te lijken. De mensen onderaan voelen zich minderwaardig.

Wilkinson en Pickett zijn maatschappelijk geëngageerd, maar willen uitdrukkelijk niet in de linkse hoek worden geplaatst. Van oudsher richten progressieve politieke partijen zich op samen delen en de herverdeling van rijk naar arm. Deze typisch linkse boodschap, waarin zorg voor de zwakken centraal staat, vervangen de twee onderzoekers door de boodschap dat ongelijkheid slecht is voor iedereen. Naast vrijheid, het kernbegrip van de liberalen, horen ook gelijkheid en broederschap. Gelijkheid wordt daarmee ook een thema voor politiek rechts.

Dat meer gelijkheid remmend werkt op de economische groei, zoals politiek rechts vaak benadrukt, is volgens de auteurs precies de bedoeling. De westerse landen zouden allang het stadium voorbij zijn waarin meer economische groei meer welzijn oplevert. Politici die hun land op een hoger plan willen brengen, kunnen volgens de auteurs beter mikken op een gelijkmatiger inkomensverdeling dan op een hogere economische groei.

Dezelfde politieke boodschap wordt uitgedragen door sommige economen die onderzoek doen naar levensgeluk. Richard Layard met zijn bestseller Happiness uit 2005 is daar een bekend voorbeeld van. Layard concludeerde dat een hoog belastingtarief geen noodzakelijk kwaad is om de staat te laten draaien, maar juist een gewenste rem op de jacht naar meer inkomen en bijbehorende status. Meer gelijkheid zou namelijk meer levensgeluk opleveren. Wilkinson en Pickett verbreden deze boodschap tot de terreinen gezondheid, onderwijs en veiligheid.

Niet iedereen is ervan overtuigd dat in de westerse wereld mensen beter af zijn met minder economische groei en meer gelijkheid. De economen Justin Wolfers en Betsey Stevenson van de University of Pennsylvania komen na een grondige analyse van al het cijfermateriaal juist tot de omgekeerde conclusie: meer geld betekent meer geluk. Hun artikel in de Brookings Papers on Economic Activity van dit voorjaar heeft veel stof doen opwaaien, omdat het de basis onder de politieke boodschap van Layard en de zijnen weghaalt.

Ook is het de vraag of de harde conclusies van Wilkinson en Pickett te rechtvaardigen zijn op basis van vergelijkingen tussen landen of regio’s alleen. Een derde factor, bijvoorbeeld cultuur, zou het verband tussen ongelijkheid en sociale ellende kunnen verklaren. De onderzoekers doen veel moeite om dit tegenargument te ontkrachten. Portugal en de VS hebben weinig anders met elkaar gemeen dan de grote mate van inkomensongelijkheid. Daarom zitten beide landen in het hoekje met de slechte uitkomsten. Hetzelfde geldt voor de landen met lage ongelijkheid en gunstige uitkomsten. In deze hoek zitten de Scandinavische landen, maar ook Japan, een land met een totaal andere cultuur.

Wat hun argument echt sterk zou maken, is als het verband tussen inkomensongelijkheid en sociale ellende ook stand zou houden in een vergelijking over de tijd. Maar dat is niet in het boek terug te vinden. Niet verwonderlijk, omdat sterke toenames in inkomensongelijkheid niet altijd terug te zien zijn in sterke afnamen in persoonlijk welbevinden. Wolfers en Stevenson lieten bijvoorbeeld zien dat de groei in inkomensongelijkheid in de VS gepaard ging met een positieve ontwikkeling: een sterk geslonken kloof in het welbevinden tussen blank en zwart, man en vrouw. Zij verklaarden dit uit het belang van andere zaken dan inkomen, bijvoorbeeld minder discriminatie.

De grote vraag is ook of de causaliteit loopt van inkomensongelijkheid naar sociale ellende of andersom. Wilkinson en Pickett stellen dat mensen misschien minder verdienen als ze vaker ziek zijn, of een strafblad hebben, maar dat dit verband veel zwakker is dan dat van ongelijkheid als veroorzaker van al die ellende. Andere economen, onder wie Wilkinsons tegenhanger Angus Deaton van Princeton University, zijn daar niet van overtuigd.

De vraag over hoe inkomensongelijkheid zich precies vertaalt in sociale ellende is de achilleshiel van het boek. Wilkinson en Pickett blijven met grafieken aan de oppervlakte. Maakt stress door de inkomenskloof werkelijk het verschil tussen een gelijk land als Japan en een ongelijk land als Portugal? De lezer moet het maar geloven. Verhalen over mensen van vlees en bloed zijn in het boek niet te vinden. Misschien hadden Wilkinson en Pickett wat vaker de universiteit uit moeten komen en om op te tekenen wat ongelijkheid met mensen doet. Dat zou hun punt sterker hebben gemaakt – of hun hele redenering op losse schroeven hebben gezet.

Lees het stuk van Wolfers en Stevenson en dat van Russell Shorto via nrcboeken.nl