Bunkers en trabanten

Bunkeraars zijn mensen die op eigen initiatief en in het geheim de overblijfselen van de Atlantikwall onderzoeken. Het is gevaarlijk werk, je kunt bijvoorbeeld plotseling door een gat een meter of vier lager op het beton vallen. Daarom is het verboden, maar deze archeologen laten zich niet afschrikken, gaan wetenschappelijk voorbereid ’s nachts op pad, graven, doen hun ontdekkingen en vondsten en zijn gelukkig. Over de bunkeraars stond in deze krant van 6 mei een meeslepende reportage. De wereld van de oorlog die 64 jaar geleden werd gesloten, wordt weer geopend. Het fascinerende van alle archeologie is dat die een verleden tastbaar maakt. Het is de paradox van de bereikbaarheid van datgene wat onbereikbaar is geworden. Zo ontsluit voor mij deze archeologie de jaren van mijn jeugd.

Tussen 1942 en het einde van 1944 is door of in opdracht van de Duitsers langs de kust, van Noorwegen tot Biarritz, de Atlantikwall gebouwd. Het verdedigingswerk had een lengte van 4000 kilometer. Ter vergelijking: de Chinese Muur is 2500 kilometer. In de eerste jaren na de oorlog werd dit betonnen reuzenwerk als maximaal sloopwaardig beschouwd. Maar het was te groot en de Europeanen hadden bovendien andere problemen aan hun hoofd. Wederopbouw, het in bedwang houden van opstandige koloniën, de communisten. Daardoor is een groot deel van de sloop gered.

In de loop der jaren gingen andere inzichten overheersen. De Atlantikwall is een historisch monument, een bezienswaardigheid. Een jaar of vijftien geleden ben ik in Hoek van Holland gaan kijken naar wat er was overgebleven. Vrij veel en dat werd bovendien geconserveerd. Er is een uitgebreid geïllustreerde verhandeling van Hans Sakkers, Festung Hoek van Holland, een parel van de Atlantikwall aan de Nieuwe Waterweg, uitgegeven in eigen beheer, 1992. In 2005 is bij de uitgeverij Open Kaart in Den Haag een uitvoerige gids verschenen, De Atlantikwall, omstreden erfgoed, met teksten van Maarten Peters. Alles wat een jongen wil weten. En nu dus deze bunkeraars. Als ik een jaar of 40 was, zou ik vragen of ik mee mocht doen.

Op 9 november hebben we weer iets te herdenken: de val van de Berlijnse Muur, twintig jaar geleden. Architectonisch gezien is het een kinderachtige constructie, 45,3 kilometer lang, toen voornamelijk bestaande uit betonplaten en een elektrisch beveiligingssysteem, intussen voor het grootste deel afgebroken. Maar in politiek opzicht een monument van de hoogste orde. Aan de andere kant van de Muur liggen nog altijd de nu archeologische bewijzen van de Koude Oorlog, ruïnes van commandoposten, kazernes, onbeschadigde atoomschuilkelders, alles wat bij een niet daadwerkelijk gevoerde oorlog hoort. Gelukkig hebben we voor deze periode van veertig jaar ook specialisten die dit allemaal vastleggen. Een van de experts is de fotograaf Martin Roemers. Van zijn werk is op het ogenblik in Delft, het Legermuseum een tentoonstelling van vijftig foto’s te zien, Kerkhof van de Koude Oorlog.

Op 13 mei wordt van hem nog een tentoonstelling geopend, in café De Engelbewaarder in Amsterdam: Auto’s in het oostblok. Als er één met het sentiment van de Koude Oorlog beladen object is, dan is het de Trabant, in westerse ogen toen het knullige karretje met zijn stinkende en pruttelende tweetactmotor en voor burgers van de Duitse Democratische Republiek het symbool van de moderne rijkdom. Nu is dat alles tot eigentijdse geschiedenis geworden, een periode die definitief is afgesloten en die ook een vleugje melancholie wekt.

    • H.J.A. Hofland