Blufgozertje dat alle ballen tegenhield

Doelman Maarten Sikking, die Nederland in 1973 aan een historische wereldtitel hielp, stond bekend als een buitenbeentje in de hockeywereld.

Maarten Sikking als doelman van Nederland. Foto Friedländer Friedländer

Bijna dagelijks werd hij nog herinnerd aan het moment waarop het in Nederland muisstil was op straat: de strafballenserie in de hockeyfinale van het WK van 1973, in het Amstelveense Wagenerstadion. Talloze sportfans zagen op televisie hoe doelman Maarten Sikking tegen India, op echt gras, twee strafballen stopte en de eerste Nederlandse wereldtitel in de geschiedenis binnenhaalde.

Gisteren werd bekend dat de legendarische doelman op 61-jarige leeftijd is overleden. Sikking, keeper van HTTC, Kampong en Schaerweijde, speelde tussen 1970 en 1980 123 interlands, met onder meer vier WK’s en de Olympische Spelen van München (1972) en Montreal (1976).

Over de wijze waarop Nederland die wereldtitel haalde, sprak Sikking jaren later nuchter: „Een volkomen onterechte titel”, zei hij in 1990 in deze krant. „We speelden helemaal niet zo goed. We hadden echt alle geluk van de wereld.” Gezien de manier waarop hij de strafbal van ‘hockeymagiër’ Govinda uit de kruising plukte, deed hij zichzelf daarmee tekort. „Dat was het mooiste moment van mijn leven”, vond hij achteraf.

Sikking stond in de hockeywereld bekend als een aparte jongen. „Maarten was anders, een buitenbeentje in de goede zin van het woord”, zegt oud-medespeler Ties Kruize. „Een blufgozertje. Hij had lak aan alles. Maar dat kon ook, want hij was zo’n goede keeper. Hij hield alles tegen.”

Zijn medespelers van toen herinneren hem als aparte keeper, een „innovatieve stijl”, zegt André Bolhuis, nu bestuurslid bij NOC*NSF. „Hij bedacht steeds nieuwe dingen, bijvoorbeeld de manier waarop hij de stick vasthield. Als keeper was hij spectaculair, een van de betere die Nederland heeft gehad. Hij won wedstrijden voor je.”

Sikking droeg als eerste lichtgewicht legguards van bamboe – die had hij uit het Duitse zaalhockey gehaald – en hij introduceerde het ijshockeymasker. En hij zag zichzelf als één van de eerste ‘vliegende keeps’; hij was niet bang ver uit zijn doel te komen.

In de conservatieve hockeywereld van de jaren zeventig viel Sikking vooral op door zijn verschijning, niet alleen door een kop met krullen. Hij droeg spijkerbroeken, geen blazers, en kleedde zich ook op het veld anders dan men in de hockeywereld gewend was. „Hij keepte als eerste in een hempie en een broekie”, zegt Kruize.

Zijn fabelachtige reddingen in de WK-finale gaven een positieve wending aan zijn leven, zei Sikking, die met verzekeringen geld verdiende. Maar zijn hart lag elders. Tijdens een trip in India werd hij diep geraakt toen hij zag hoe een dode vrouw van straat werd gehaald en op een vuilniswagen gegooid. Haar kindje bleef achter. Dat beeld raakte hij nooit meer kwijt. Na de WK-finale raakte hij bekend en kwam in contact met Herman van Veen, met wie hij zich inzette om mensen te helpen.

De laatste jaren woonde Sikking, die in 2003 werd getroffen door een herseninfarct, afwisselend in Bergen en op het Indonesische eiland Bali. Daar had hij een Balinese vrouw toen hij bezig was met het opzetten van een school.

Zijn afscheid van het hockey was abrupt. „Niemand heeft hem ooit meer op een hockeyveld gezien”, zegt Kruize. „Hij ging gewoon iets anders doen.” Tegen de Volkskrant vertelde hij eens hoe hij de sport vaarwel had gezegd. „Ik heb mijn complete uitrusting bij elkaar geraapt en in een silo in de fik gestoken. Weg ermee. Kan ik ook niet meer terug, dacht ik, want dat is me toch een lijdensweg, van die sporters die telkens maar terug willen komen.”