Blijven leren van de oorlog

Een klein museum in het oosten van Berlijn houdt de Duitse overgave aan de Russen levendig. Jonge militairen moeten er verplicht even langs.

Berlijn is een stad van musea. Eigenlijk is de stad zelf één groot museum; een metropool die op bijna iedere straathoek haar turbulente verleden laat zien.

Zoals in de oostelijke wijk Karlshorst, de buurt die zo’n prominente rol speelt in het laatste boek van de Duitse schrijver en journalist Joachim Fest, de bestseller Ich nicht, waarin de auteur herinneringen ophaalt aan zijn jeugd en de oorlogsjaren.

Aan het einde van de Rheinsteinstrasse, daar waar je linksaf de Zwieseler Strasse inslaat, staat een gebouw met een pantservoertuig ernaast. Het is een T-34, de Sovjet-tank uit de Tweede Wereldoorlog. In een grasveld een eindje verderop staan een houwitser, een Katjoesja-batterij – ook wel Stalinorgel genoemd – en andere zware wapens van het Rode Leger.

Welkom in museum Berlin Karlshorst, een ietwat ondergewaardeerd herdenkingsoord waar in de nacht van 8 op 9 mei 1945, precies 64 jaar geleden, de onvoorwaardelijke capitulatie van het Duitse leger werd getekend.

Twee onvoorwaardelijke overgaven zijn tussen 7 en 9 mei ’45 getekend, die van Reims en van Karlshorst. In de Berlijnse buitenwijk waren het de Duitse opperofficieren Keitel, Friedeburg en Stumpff die hun handtekening zetten. Het document, dat het definitieve einde van de Tweede Wereldoorlog markeert, werd in ontvangst genomen door de Britse maarschalk Arthur Tedder en de legendarische opperbevelhebber van het Rode Leger.

In het Karlshorster museum is de ruimte waarin de capitulatie zich voltrok in originele staat te zien. Het is een indrukwekkende zaal met mahoniehouten lambriseringen, kroonluchters, parket op de grond, vlaggen aan de muur, lange tafels en rijen met leer beklede stoelen. De Duitsers hadden het pand tussen 1936 en ’38 als officierscasino voor de genieschool van de Wehrmacht laten bouwen. In april ’45 sloegen stoottroepen van het Sovjet-leger er hun hoofdkwartier in op.

Wat het museum tot een verplicht nummer maakt voor historisch geïnteresseerden is, behalve die zaal, het uitvoerige voorlichtingsmateriaal over de oorlog aan wat de Duitsers het ‘oostfront’ noemden. Haast nergens wordt zo volledig verslag gedaan van Operatie Barbarossa, de Duitse overval op de Sovjet-Unie, een Blitzkrieg die vernietiging van de Sovjet-heerschappij tot doel had en Oost-Europa een kolonie van het Derde Rijk had moeten maken.

Doordeweeks is het meestal rustig in het museum. Maar het kan ineens overlopen worden door groepen. De Bundeswehr stuurt er regelmatig militairen in opleiding naartoe. Jonge officieren krijgen dan uitleg over de strijd en overgave van het zesde leger in het omsingelde Stalingrad. Op dramatische filmbeelden kunnen ze zien hoe de sterk vermagerde Duitse bevelhebber Friedrich Paulus zich winter ’43 in Russische gevangenschap begeeft.

Kort voor zijn overgave was hij door Adolf Hitler tot veldmaarschalk bevorderd, in de hoop dat hij zelfmoord zou plegen. Geen maarschalk in de Duitse krijgsgeschiedenis had zich ooit overgegeven. Stalingrad was een keerpunt; een ongekende en dramatische nederlaag. 270.000 man waren eingekesselt. Tienduizenden sneuvelden; honderdduizend militairen gingen in Russische krijgsgevangenschap. Slechts zesduizend keerden naar Duitsland terug.

Verderop in het museum hangen kopieën van het Hitler-Stalinpact, het niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet-Unie. Dat werd in augustus 1939 door de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Ribbentrop en zijn Russische collega Molotov ondertekend. Een officier in opleiding van de Bundeswehr leest aandachtig het bijbehorende geheime protocol, waarin beide staten hun buurlanden vogelvrij verklaren. „Nooit geweten dat het zo expliciet was”, zegt hij verbaasd tegen een collega.

    • Joost van der Vaart