Als ook de conducteur wegkijkt bij geweld...

Moreel en juridisch gelijk in mijn strijd tegen asociaal gedrag betekent niets.

Nederlanders laten zich niet corrigeren. Moet ik nog een klap riskeren?

(Illustratie Milo)

Ik ben in verwarring. Dat komt níét door de klap die ik vorige week in mijn blinde oog kreeg van een medepassagier. Ik sprak hem aan op het feit dat hij de tram vertraagde door geen kaartje te willen kopen. Nee, ik ben in verwarring omdat ik me voortaan afzijdig moet houden. Om het vege lijf te redden, en omdat ik niet kan vertrouwen op openbaarvervoerbedrijven, hun personeel, en mijn medepassagiers.

Een jaar geleden riep toenmalig directeur Veenman van NS de reizigers op hun medepassagiers aan te spreken op asociaal gedrag. Ik doe dat regelmatig. Het gaat om een lange rij zwartrijders, voordringers, luidbellers, gangpadblokkeerders, walkmanluisteraars en bankbezetters. Ik doe dat bovendien met het morele en juridische gelijk aan mijn zijde.

Mijn morele gelijk is gebaseerd op de onverwoestbare categorische imperatief van Kant, die vrij vertaald naar de moderne tijd betekent dat je zelf geen overstuurde hiphop de treincoupé in moet laten lekken als je niet wilt dat een ander jou verveelt met Bachcantates. Mijn juridische gelijk volgt uit de algemene voorwaarden en de ‘huisregels’ van openbaarvervoerbedrijven, die passagiers binden aan een aantal gedragsnormen.

Maar natuurlijk betekent een moreel en juridisch gelijk in de praktijk helemaal niets. Er is namelijk iets wat veel Nederlanders, jong en oud, wit en zwart, lijkt te verbinden, en dat is hun onwil om te gehoorzamen aan regels. Van zakenmannen in de eerste klas en middelbare middenklasse vrouwen in de stiltecoupé tot getatoeëerde tokkies en opgefokte gabbertjes: ze laten zich in geen geval corrigeren.

Vorige week voelde ik me geroepen om een conducteur bij te vallen in de discussie over de aankoop van een kaartje in een Rotterdamse tram. Ik stond op en vroeg de passagier in kwestie gewoon een kaartje te kopen en geen verdere vertraging te veroorzaken. Net als ik bij gelegenheid andere conducteurs bijval, in plaats van in een krant weg te duiken.

De conducteur verwees me direct naar m’n plaats; hij stelde deze interventie duidelijk niet op prijs. Dat kan. Maar na de klap kon de dader rustig de tram uit wandelen. Hem werd door passagiers, noch conducteur een strobreed in de weg gelegd. En ik mocht buiten de tram op de politie gaan wachten. Ik besef overigens wel dat dit laatste volkomen consequent was: anders zou ík immers de tram ophouden.

Dit voorval leidt voor mij tot een belangrijke afweging: riskeer ik nóg een keer een klap, dit keer wellicht in mijn enige, beperkt functionerende oog? Om vervolgens opnieuw te worden geconfronteerd met apathie bij personeel en medereizigers? Welk risico ben ik nog bereid te nemen nu het personeel van de tram mij om mijn bemoeienis voor gek verklaarde?

Het is naar mijn stellige overtuiging mijn morele plicht om op te treden tegen asociaal gedrag. Maar het is een overtuiging die ik me eigenlijk niet langer kan veroorloven in praktijk te brengen.

Laurens Mommers is universitair hoofddocent bij eLaw@Leiden.

    • Laurens Mommers