Afghaanse gewoontes, westerse teleurstellingen

In Afghanistan zal iedere buitenlander het je vertellen: verwacht geen wonderen, we moeten geduld hebben, grote delen van dit land verkeren nog in de Middeleeuwen. En ook al worden er verkiezingen gehouden, een democratie kun je het hier nog amper noemen. We weten het, maar we vergeten het. Want iedere keer als blijkt hoe terecht die waarschuwingen zijn, is de teleurstelling weer groot. Is het meer dan zeven jaar na de verdrijving van de Talibaan nog altijd zó erg? Helaas wel. Loopt de alledaagse praktijk in Afghanistan nog zó ver achter bij onze verwachtingen? Maar al te vaak.

De ene keer krijgt iemand die het gewaagd heeft de Koran in het Dari te vertalen twintig jaar cel. De andere keer wordt er een wet aangenomen die verkrachting binnen het huwelijk toestaat.

Deze week was het de beslissing van president Karzai om een beruchte voormalige krijgsheer aan te wijzen als een van zijn twee running mates voor de verkiezingen in augustus. Mohammad Qasim Fahim heeft bloed aan zijn handen.

In de burgeroorlog begin jaren negentig was hij tweede man van een van de krijgsheren die elkaar met veel geweld de macht betwistten. Ongeremd schoten ze Kabul in puin, waarbij tienduizenden burgerslachtoffers vielen. Ze wekten zoveel afkeer bij de bevolking dat de Talibaan daarna een aantrekkelijk alternatief leken.

Over de wreedheden die destijds in Kabul werden aangericht, bracht Human Rights Watch vier jaar geleden een rapport uit (Blood-Stained Hands). De mensenrechtenorganisatie voerde gesprekken met 150 getuigen, overlevenden en strijders en noemt Fahim als een van de verantwoordelijken voor het bloedbad. Vergeefs hebben de Verenigde Naties en westerse diplomaten geprobeerd Karzai ervan te weerhouden Fahim te kiezen. Human Rights Watch zegt dat de keuze „een belediging voor het land” is en dat Fahims benoeming tot vicepresident, als Karzai straks wordt herkozen, „een vreselijke stap terug voor Afghanistan” zal zijn.

Maxime Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA), die er vast niet naar uitziet straks de hand van deze man te moeten schudden, reageerde „bedroefd en teleurgesteld”. Fahim is een man met „een geschiedenis waar wat op aan te merken is”, in de onderkoelde woorden van de minister. Verhagen zei dat hij altijd voorstander van verzoening is, maar: „ik ben ook tegen straffeloosheid”.

Karzai kijkt er anders tegenaan, en dat had niet hoeven verbazen. De machtige Fahim kan de onpopulaire president helpen de verkiezingen te winnen. Als etnische Tadzjiek kan hij de Pashtun Karzai acceptabel maken voor Tadzjiekse kiezers. Dat de internationale gemeenschap liever een man met een minder belast verleden had gezien, dat is dan jammer.

In de Afghaanse politieke praktijk is het niets bijzonders om, als dat zo uitkomt, met bedenkelijke partners in zee te gaan of allianties te sluiten met vijanden van weleer. Karzai weet daar alles van.

In de chaotische jaren negentig, toen Karzai kort plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken was, liet Fahim, toen minister van Binnenlandse Zaken, hem arresteren en een paar uur hardhandig ondervragen. Karzai zou tegen de regering samenzweren met de Pakistaanse inlichtingendienst. Aan de ondervraging kwam een voortijdig eind toen een andere krijgsheer de wijk waar Karzai ondervraagd werd met mortieren begon te bestoken. In de verwarring wist Karzai te ontsnappen, nog dezelfde nacht ontvluchtte hij Kabul en reisde hij per bus naar Pakistan.

Maar zodra Karzai eind 2001 als interim-president was aangewezen, herstelde hij de band met Fahim. Die had als commandant van de Noordelijke Alliantie een belangrijke rol gespeeld bij de verdrijving van de Talibaan. Met zijn troepen heerste hij in Kabul.

Beroemd is het verhaal over de aankomst van de kersverse president op de luchthaven van de hoofdstad. Fahim, benoemd tot minister van Defensie, stond hem op te wachten met een eenheid van zijn eigen Tadzjiekse militairen. Nadat Karzai uit het vliegtuig was gestapt, verbaasde Fahim zich erover dat de nieuwe president niet zijn eigen bewapende Pash-tun-militie had meegenomen. „Waar zijn je mannen?”, vroeg hij.

Waarop Karzai antwoordde: „Jullie zijn nu mijn mannen.” Oftewel: de tijd van etnische verdeeldheid en krijgsheren met elk hun eigen legertjes is voorbij. We gaan nu een nationaal leger opbouwen, dat voor heel Afghanistan opkomt. En hij vertrouwde zijn veiligheid aan Fahim toe.

Sindsdien is Fahim behalve minister van Defensie ook vicepresident geweest. Maar in 2004 dumpte Karzai hem, onder druk van het Westen. Fahim heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij niet in democratische instituties gelooft. Toen hij nog minister van Defensie was, maakte hij graag de woordspeling dat het in Afghanistan nog heel lang zal duren voor ‘zawabit’ de plaats inneemt van ‘rawabit’, voor instituties de rol overnemen van persoonlijke relaties. De komende maanden mag hij zijn relaties en invloed inzetten om zijn oude rivaal Karzai te helpen aan de macht te blijven. Want zo werkt, nog altijd, de Afghaanse politiek. Ook al gaat het ten koste van de geloofwaardigheid van de staat die zo moeizaam wordt opgebouwd.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad.

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel