Steeds meer jongeren starten hier hun carrière

Ingo Friedrich, EVP (christen-democraten) Ingo Friedrich - 2007 Foto: EU EU

Nu zijn ze nog met z’n vijven. Dertig jaar geschiedenis delen ze. Vier Duitsers en één Fransman die in het Europees Parlement zitten sinds 1979, toen dat voor het eerst direct werd gekozen. Het parlement waarvoor in juni kan worden gestemd, zeggen ze terugkijkend, is heel anders dan dat van dertig jaar geleden. Veel machtiger en professioneler. Maar ook minder intiem.

Slechts één van de vijf heeft zich opnieuw verkiesbaar gesteld, Hans-Gert Pöttering. In 1979 was hij met 33 jaar de jongste Europarlementariër. Nu is de Duitse christen-democraat voorzitter van het Europees Parlement.

Hij is belangrijk in Brussel: het is Pöttering die namens het parlement praat met staatshoofden en regeringsleiders. In Straatsburg kijkt hij vanuit zijn kantoor op de vijftiende verdieping van het parlement uit over de stad. Hoe voelt het dat hij straks ‘de laatste’ is? „Dat kan ik nog niet beschrijven”, zegt hij. „Het is nog niet zo ver. Maar het zou een groot privilege zijn als de dag komt dat ik die persoon ben.”

Het Europees Parlement is een plek geworden waar je carrière kunt maken, zeggen de vijf parlementariërs van het eerste uur. Destijds zaten ze als jongeren tussen oudere politici die aan het einde waren van een lange loopbaan. De voormalige bondskanselier Willy Brandt bijvoorbeeld. „Ik was natuurlijk onder de indruk van hem”, zegt de Duitser Klaus Hänsch. Maar omdat ze allebei sociaal-democraat waren, zei hij wel gewoon ‘Willy’.

Tegenwoordig heeft het Europees Parlement twee moderne vergadergebouwen – een in Brussel en een in Straatsburg. Vooral de vestiging in Straatsburg is het mikpunt van kritiek omdat die maar vier dagen per maand gebruikt wordt.

Dertig jaar geleden had het Europees Parlement helemaal geen gebouw. Karl von Wogau, ook een Duitse christen-democraat, herinnert zich de eerste vergadering in Straatsburg nog goed. De parlementariërs hadden daar onderdak gevonden in het gebouw van de Raad van Europa, die al in stad gevestigd was. Veel aandacht trok dat niet. „Alle restaurants waren al gesloten toen we klaar waren”, zegt Von Wogau. „Samen met een collega heb ik daarom op Europese wijze wat gegeten in de buitenlucht: hotdogs en cola.”

In Brussel hadden Europarlementariërs wel tijdelijke kantoren, maar die moesten ze delen met vier of zes collega’s, vertelt Klaus Hänsch. „Als je wilde bellen dan moest je op je beurt wachten bij een telefooncabine”, zegt Ingo Friedrich, ook een Duitse christen-democraat. „Vergaderen deden we in allerlei gehuurde gebouwen. We verplaatsten ons door de hele stad. En ’s avonds gingen we verder in restaurants.”

Nu heeft het parlement macht. Sinds het ontstaan van de Europese binnenmarkt moet het instemmen met alle wetgeving op dat terrein. Dat is erg belangrijk voor bedrijven, die dan ook duizenden lobbyisten hebben in Brussel. „Tegenwoordig heb je als parlementariër twee afspraken voor de lunch en ’s avonds ook drie”, zegt Ingo Friedrich. „In het begin werden we nooit door iemand uitgenodigd. We waren vaak samen.”

Het samenzijn begon ietwat onwennig. „Wij Duitsers hadden het gevoel dat de Italianen honderd keer hetzelfde zeiden”, zegt Friedrich. „En zij vonden ons onbeleefd omdat wij zo direct waren.”

Verschillen zijn er nog steeds, maar ze zijn kleiner geworden. Duitsers, zegt Friedrich, zijn bijvoorbeeld makkelijker gaan kussen. En ze hebben er nu minder moeite mee elkaar bij de voornaam te noemen. In het begin verbaasde Friedrich zich over het gemak waarmee collega’s uit andere landen dat deden. Tegen Otto von Habsburg, de zoon van de laatste Oostenrijkse keizer die ook in het parlement zat, zei Friedrich „Zijne Keizerlijke Hoogheid”. Ook al kende hij hem al vanaf zijn tiende. „En dan kwam er een nieuwe Britse collega die zei: Hey Otto, kom eens hier!”

Toch klikte het goed tussen de Duitsers en de Britten. Natuurlijk, Frankrijk en Duitsland vormden lange tijd de motor van de Europese integratie. Dat was ook in het parlement zo, zegt Klaus Hänsch. Maar ’s avonds waren het de Duitsers en de Britten die elkaar opzochten. „Met de Fransen kon je discussiëren, met de Britten kon je drinken.” Sinds het Franse ‘nee’ tegen de Europese Grondwet in 2005 klikt het volgens Hänsch ook politiek niet meer zo goed tussen de Fransen en de Duitsers. „Ze willen alles nationaal doen. Dat begrijpen wij niet.”

De macht die het Europees Parlement nu heeft, heeft het zich gedeeltelijk zelf toegeëigend. Hänsch, parlementsvoorzitter van 1994 tot 1997, organiseerde als eerste hoorzittingen voor de nieuwe leden van de Europese Commissie. Inmiddels is dat uitgegroeid tot een traditie. De laatste keer, in 2004, wees het parlement zelfs een beoogde commissaris af – de wegens uitspraken over homo’s omstreden Italiaan Rocco Buttiglione. „Dat we hoorzittingen mochten houden stond in geen enkel verdrag”, zegt Hänsch. „Ik besloot het gewoon. Sommige landen waren er niet blij mee.”

Vroeger was het natuurlijk makkelijker, zeggen de vijf parlementariërs. Het ging over vrede en veiligheid en dat leek meer dan genoeg. Maar kritiek op Europa is niet iets van de laatste jaren. „Het begon in de jaren tachtig met de verhalen over boterbergen en melkplassen”, zegt Klaus Hänsch. ,,Daarna ontstond in Duitsland het beeld dat we overal voor moesten betalen in Europa.” En nu is het verwijt dat Europa zich met te veel dingen bemoeit. Terecht?

„Ach”, zegt Hänsch. „Dezelfde mensen die op zondag klagen dat Europa te veel regels bedenkt, komen vaak op maandag of dinsdag langs met de vraag of je iets wilt regelen.” Op een receptie ontmoette hij eens iemand die een lange tirade hield over Brusselse bemoeizucht. Aan het einde van het gesprek vroeg de man of hij een afspraak kon maken. „Een paar weken later kwam hij langs met twee heren, de voorzitter en de vice-voorzitter van de vereniging van Duitse pedicures. Ze kwamen pleiten voor een Europese regulering voor voetverzorgers. Ja, zei die man, in het algemeen ben ik tegen Europese wetgeving, maar in dit specifieke geval ben ik vóór. Wat bleek? In Duitsland behoren pedicures niet tot de medische beroepsgroep. Die regelgeving moest dat veranderen. Ik heb gezegd dat ze maar goed moesten zorgen voor de Duitse voeten. Volgens de Duitse regels.”

De enige van de vijf Europarlementariërs die zelf stevige kritiek heeft op Europa is de Franse communist Francis Wurtz. Hij komt uit de Elzas, en hoewel hij de Tweede Wereldoorlog niet meemaakte, werd hij gegrepen door de gedachte dat er dankzij Europa nooit meer oorlog zou zijn. „In het begin wilden we de grenzen openen voor mensen”, zegt hij. Maar sinds het verdrag van Maastricht van 1992 gaat het alleen nog maar over de markt en hoe die kan worden geliberaliseerd.

Onlangs sprak Wurtz in een zaaltje over tweedeling in de zorg. „Na afloop zeiden mensen dat ze door mijn uitleg iets meer begrepen van Europa. Op zo’n moment ben ik het gelukkigst.”

Wat waren de bijzondere momenten in die dertig jaar? De herinneringen komen soms uit een ver verleden. „Toen Ronald Reagan het parlement toesprak in 1985”, zegt Ingo Friedrich. „Dat was voor het eerst dat ik het gevoel had: we staan op gelijke voet met de Verenigde Staten.”

Pöttering zal nooit de dag vergeten dat parlementariërs uit het voormalige Oostblok verwelkomd werden. „De Hongaar József Szájer gaf me een stuk prikkeldraad met een Hongaars vlaggetje en zei: nu is het IJzeren Gordijn verdwenen. In 1979 had ik niet gedacht dat ik dat in mijn leven zou meemaken.”

Hij had ook niet gedacht dat hij dertig jaar zou blijven. „Heeft u een opa, stuur hem naar Europa”, werd destijds in Duitsland gezegd. „Ik heb geprofiteerd van dat zinnetje. Mijn partij wilde er óók een paar jongeren bij, om dat beeld te corrigeren. Twee zonen heb ik nu. Maar ik ben nog altijd geen opa.”

    • Jeroen van der Kris