Praat niet over het onnut van martelen

Het debat over martelen in de VS moet niet gaan over de ineffectiviteit van pijniging bij verhoor, maar over het feit dat martelen uit den boze is, meent Ian Buruma.

(Illustratie Cyprian Koscielniak) Koscielniak, Cyprian

Toen in september 2006 de vraag werd gesteld of er iets niet deugde aan de behandeling van ‘hoogwaardige’ gevangenen in Guantánamo Bay en elders door Amerikaanse ondervragers, sprak president George W. Bush de befaamde woorden: „Wij martelen niet.”

De definitie van martelen is berucht om haar glibberigheid, maar we weten nu al een tijdje dat de oud-president, zoals dat heet, economisch met de waarheid omsprong. Op zijn minst handelden de Amerikaanse ondervragers in strijd met de Conventies van Genève – ondertekend door de Amerikaanse regering – tegen een ‘wrede, onmenselijke of vernederende behandeling’. Iemand op een plank binden en steeds weer aan de rand van de verdrinking brengen, of een gevangene naakt en met zijn eigen uitwerpselen bedekt dagenlang met zijn handen aan het plafond geketend laten staan, totdat zijn benen tot tweemaal hun normale dikte opzwellen, is misschien geen marteling in memo’s opgesteld door overheidsjuristen, maar zulke praktijken zijn onmiskenbaar wreed, onmenselijk en vernederend.

Het eerste besluit van Barack Obama als president was een onmiddellijk verbod op marteling. Dan volgt de vraag hoe om te gaan met het verleden, en in het bijzonder met het gegeven dat die daden niet alleen werden vergoelijkt, maar plaatsvonden in opdracht van de hoogste Amerikaanse regeringsfunctionarissen. Moeten de verantwoordelijken, onder wie de president zelf, worden vervolgd wegens schending van de wet? Moeten alle details van de gebeurtenissen worden vrijgegeven en bekendgemaakt? Moet er een speciale onderzoekscommissie komen? Of zou het, om met president Obama te spreken, beter zijn om „naar de toekomst te kijken, niet naar het verleden”?

Dit blijkt echtser onmogelijk, zoals ook Obama snel besefte, want wie weigert terug te kijken, belast de toekomst met nog grotere gevaren.

Voormalig vice-president Dick Cheney heeft meer dan eens verklaard geen spijt te hebben van – zoals hij ze graag noemt – ‘versterkte verhoortechnieken’ als bijna-verdrinking, omdat ze „ons land behoeden” voor terreuraanslagen. In zijn ogen maakt Obama’s verbod de VS ‘kwetsbaar’. De suggestie is duidelijk: mochten de VS nogmaals door terroristen worden aangevallen, dan weten we bij wie we de schuld moeten leggen.

De inzet in het ‘marteldebat’ dat de VS op dit moment in zijn greep heeft, zou dan ook niet hoger kunnen zijn. Aan de ene kant staan Cheney en zijn bondgenoten, met hun pragmatische benadering van marteling: niemand houdt van martelingen, maar onze veiligheid is belangrijker dan onze morele scrupules en de wetgeving zal aangepast of verfijnd moeten worden.

Aan de andere kant staan degenen die marteling volstrekt veroordelen, als een morele gruwel die onder geen beding mag worden toegestaan. Dit is ook het juridische standpunt van de ondertekenaars van de Conventies van Genève: „Geen enkele uitzonderlijke omstandigheid, oorlogstoestand of oorlogsdreiging, binnenlandse politieke onrust of andere openbare noodtoestand, kan als rechtvaardiging van marteling gelden.”

Maar dit zijn niet de belangrijkste gronden waarop het marteldebat in de VS wordt gevoerd. Om begrijpelijke redenen proberen veel aanhangers van Obama’s besluit tot een verbod op marteling het pragmatische standpunt van Cheney van een even pragmatische repliek te dienen. Ze stellen tegenover de redenering van Cheney dat marteling niet de beste manier is om onze veiligheid te waarborgen. Onder extreme pijn zegt iemand alles en zal hij dus onbetrouwbare informatie geven. Andere, verfijndere verhoortechnieken zijn volgens hen niet alleen humaner (en rechtmatiger), maar ook doeltreffender.

Het grote publiek in de VS gaat nog altijd gemakkelijk mee in Cheney’s standpunt dat marteling gerechtvaardigd is als het levens redt, en daarom hebben progressieve commentators en politici opgeroepen tot een speciale commissie die de daden van de vorige regering volledig zou moeten doorlichten. Dan zal naar hun overtuiging blijken dat martelen averechts werkt. Het brengt niet alleen grote schade toe aan het imago van het land en van de rechtsstaat, maar het leidt vermoedelijk ook eerder tot meer dan tot minder terrorisme.

De intellectuele en politieke voordelen van deze redenering spreken vanzelf. De huidige regering kan het zich niet veroorloven in Cheney’s val te trappen en alleen maar voor een mogelijke volgende terreuraanslag verantwoordelijk te worden gesteld omdat ze het martelen heeft afgeschaft. Maar zijn dit nu de juiste voorwaarden waaronder dit noodzakelijke debat moet worden gevoerd? Als marteling volstrekt verkeerd is, ongeacht de omstandigheden, dan is de vraag naar de doeltreffendheid – of het vaak of zelden of nooit werkt – niet van belang. Sterker nog, als het debat onder deze voorwaarden wordt gevoerd, bestaat het gevaar dat het morele principe verwatert.

Rest ons de vraag waarom marteling volstrekt moet worden veroordeeld, terwijl andere oorlogshandelingen, zoals bombardementen, die een hogere tol aan mensenlevens vergen, mogelijk wel aanvaardbaar zijn als onvermijdelijk gevolg van de noodzaak om onszelf te verdedigen. Bombardementen kunnen natuurlijk ook een oorlogsmisdaad zijn – als ze worden gebruikt als terreurdaad tegen onbewapende mensen. Maar soms worden als gevolg van militaire operaties burgers gedood of verwond, zonder dat automatisch van misdaden sprake is. Dit geldt zolang de opzettelijke pijniging of vernedering van een hulpeloze persoon – ook al is hij of zij een vijand – niet het doel is. Bij marteling is dit wel het geval. Daarin schuilt het verschil met andere oorlogshandelingen.

Een prominente rechtse commentator in Amerika stelde onlangs dat elke poging om de folteraars en hun bazen in de regering-Bush ter verantwoording te roepen, een smet zou werpen „op de inspanningen van de onverzettelijke en moedige Amerikanen die ons beschermen terwijl we slapen”.

Afgezien van het feit dat het martelen van mensen niet hetzelfde is als een gevechtshandeling en weinig moed vereist, is dit echt de omgekeerde wereld. Na jaren van martelingen in een van de smerigste ‘vuile oorlogen’ van Zuid-Amerika, besloten de Braziliaanse generaals ze te beëindigen omdat het geïnstitutionaliseerde gebruik van martelingen de discipline en het moreel van de strijdkrachten ondermijnde. Het wierp een smet op mannen die onverzettelijk en moedig behoorden te zijn, maar die in plaats daarvan schurken waren geworden.

Ian Buruma is schrijver.