Het pension van generaal Franco

Driss Tafersiti kwam jong naar Nederland als Marokkaans gastarbeider. Hij bleef. Hij beschrijft zijn leven.

'De vrijdag vieren met gegrilde vis, dat deden we ook altijd in Marokko.' (Foto AFP) Close-up of sardines on white background. Photononstop

In Lille woonde ik samen met mijn broer Moha in een klein appartement. We hadden twee kamers. Moha sliep in de slaapkamer en ik in de huiskamer op de bank. Dat was een luxe in vergelijking met het pension in Amsterdam. Daar woonden we met minimaal twintig mensen in het huis dat maar vier slaapkamers had. Soms was het drukker, als er mensen bijkwamen uit Marokko, Duitsland of Frankrijk. Die sliepen in de huiskamer, totdat ze een andere slaapplek vonden.

Het pension was van meneer Lopez. Wij noemden hem generaal Franco omdat hij zo streng was. Wie een dag te laat was met zijn wekelijkse huur moest zijn spullen van de straat oprapen. Ook gingen de lichten om elf uur ’s avonds uit. Hij draaide dan de schakelknop gewoon om.

Generaal Franco was ook een gastarbeider, net als wij. Maar hij was wat slimmer, en kocht een groot huis dat hij aan andere gastarbeiders verhuurde. Hijzelf woonde met een Nederlandse mevrouw bij ons in de straat, in een net zo groot huis als ons pension.

Op een dag had mijn neef Mustapha sardientjes van de markt gekocht. We wilden de vrijdag vieren met gegrilde vis. Dat deden we ook altijd in ons dorp in Marokko. Iemand waarschuwde ons om de sardientjes niet op het balkon te grillen, want dat zou generaal Franco meteen in de gaten krijgen. Hij hield er niet van als we te vrolijk werden. Dat zou alleen maar de aandacht trekken. Straks zou de politie een kijkje komen nemen, en ontdekken dat er mensen zonder arbeidspapieren in het pension verbleven.

Mustapha pakte uit de keuken de grootste pan die hij kon vinden. Hij legde die op een houtblok midden in de huiskamer. In de pan leegde hij een zak kolen en stak ze aan. Daarover legde hij het rooster van de gasoven. Ik deed de ramen op een kiertje, twee andere bewoners hadden een deken vast waarmee ze de rook naar het raam dreven. Binnen een paar minuten stond de kamer blauw van de rook, en sisten de sardientjes op het rooster. Ik stond nog steeds bij het raam om de straat in de gaten te houden. Door de rook zag ik niets meer. Ik hoorde andere bewoners wegsluipen. Mensen werden nerveus. Mustapha riep: „Ga door met zwaaien, ze zijn bijna klaar!” Toen we sirenes in de straat hoorden, gingen ook de twee van de deken weg. Beneden werd de deur ingeramd. Zes reuzen met helmen op stormden de kamer binnen. Ze gooiden ons over hun schouder en droegen ons naar buiten. De hele straat stond toe te kijken. We hadden het geluk van ons leven die dag; generaal Franco was nergens te bekennen.

De reuzen riepen van alles tegen ons, maar we verstonden niets. Uiteindelijk vertrokken ze. De straat liep leeg.

Ik zei tegen Mustapha: „Wat doen we met die kapotte deur?”

“Die komt later, eerst de sardines”, zei hij. We wisten dat onze uren in het pension van generaal Franco geteld waren. Hij zou hier hoe dan ook achter komen. We aten ons buikje rond, en gingen nog diezelfde dag op zoek naar een nieuw pension.

Driss Tafersiti

    • Driss Tafersiti