En ach dit land, welke kant zal het opgaan? NRC nu ook op tv 19 mei live! Bekijk de trailer op nrc.tv

Het Britse leger heeft vorige week zijn laatste militairen teruggetrokken uit Irak.

De Amerikaans-Britse bezetting roept de stichting van Irak in herinnering.

Gertrude Bell picknickt in de woestijn met Britse officieren.

„Bagdad is een zee van rozen en felicitaties! Ze zijn oprecht opgetogen dat ze bevrijd zijn.” Nee, dit is niet een citaat van minister van Defensie Donald Rumsfeld nadat het Amerikaanse leger in april 2003 Saddam Hussein uit het zadel had gewipt. Deze woorden schreef de Britse ontdekkingsreiziger en archeologe Gertrude Bell nadat de Britten in de lente van 1917 Bagdad hadden veroverd op het Ottomaanse Rijk. Maar de overeenkomst is treffend. Net als de Amerikanen waren de Britten overtuigd van de rechtvaardigheid van hun zaak: ze waren bevrijders van het onderdrukte Iraakse volk. En in beide gevallen bleek dit een ernstige misvatting.

Als Oriëntaal Secretaris in Bagdad speelde Gertrude Bell een cruciale rol bij de stichting van het moderne Irak. Ze trok de grenzen, wist de aarzelende stamleiders te overtuigen en bijeen te brengen en leidde prins Faisal, die nog nooit in Irak was geweest, op tot ’s lands eerste koning. De problemen die ze hierbij tegenkwam, zijn verrassend actueel. Voor wie haar brieven en dagboeken uit die periode leest, lijkt het soms alsof ze de gebeurtenissen sinds 2003 beschrijft, toen de Amerikaanse en Britse troepen de controle verloren over het land dat ze waren binnengevallen.

Na de nederlaag van het Ottomaanse Rijk in de Eerste Wereldoorlog begonnen de Britten monter aan de stichting van de nieuwe staat. Ze voegden drie provincies van het Ottomaanse Rijk samen en noemden het Irak. De grenzen zijn vrij willekeurig getrokken, zonder rekening te houden met de drie grootste bevolkingsgroepen: sunnieten, shi’ieten en Koerden. Dit zou in de toekomst nog voor veel problemen zorgen.

Bell stelde zich tot taak een pro-Britse Arabische regering op te zetten. Daarbij gaf ze de voorkeur aan de meer seculiere sunnitische Arabieren boven de talrijkere shi’ieten. „Het is een probleem om in contact te komen met de shi’ieten, niet de tribale mensen op het platteland, met hen hebben we een innige verstandhouding; maar met de akelig vrome inwoners van de heilige steden en vooral de leiders van de religieuze opinie”, schreef ze in maart 1920. „Daar zitten ze in een atmosfeer die stinkt naar de ouderdom en die zo zwaar is van het eeuwige stof dat je er niet door heen kan kijken – en zij ook niet.”

In één van haar brieven beschrijft Bell hoe ze op audiëntie is geweest bij Seyyid Hassan al-Sadr, die aan het hoofd stond van de machtigste shi’itische familie van Irak. Ze is niet onder de indruk: „Ik zei tegen mezelf: ‘Als die grote blauwe tulband van jou eraf zou vallen en je daar zou zitten met een kaal hoofd, dan ben je net als alle anderen.” Het was een weinig succesvolle poging tot diplomatie, want niet veel later was al-Sadrs zoon één van de leiders van de opstand tegen de Britse bezetters.

De rebellenleider van toen is de overgrootvader van de opstandige geestelijke Muqtada Sadr, die nu één van de de grootste tegenstanders is van de Amerikanen. In 2004 had deze Iraakse nationalist een legertje strijders uit de sloppenwijken om zich heen verzameld, dat verantwoordelijk was voor de eerste openlijke rebellie tegen de Amerikanen. De opstand breidde zich snel uit en de Amerikaanse troepen hadden grote moeite om het geweld onderdrukken.

Ook het verzet tegen de Britse bezetting groeide snel. In mei 1920 hoorde de Iraakse bevolking dat het land slechts een Brits mandaatgebied zou worden en niet onafhankelijk, zoals was beloofd. Daarop besloot een shi’itische leider in Kerbala het verzet te organiseren. Via pamfletten waarin de stammen werden opgeroepen om in opstand te komen. Op 1 juni 1920 schreef Bell: „We zitten midden in een gewelddadige strijd en we zijn erg ongerust. [...] Er worden een hoop semi-religieuze, semi-politieke preken gehouden en gedichten gereciteerd en de onderliggende gedachte is eruit met de ongelovigen.”

Gertrude Bell verweet de Britse regering te weinig troepen naar Irak te hebben gestuurd. Dezelfde kritiek viel te beluisteren toen in 2004 de opstand op gang kwam. De Amerikaanse minister van Defensie Rumsveld dacht de oorlog vanuit de lucht te kunnen winnen, met minimale steun van grondtroepen. Toen na de snelle zegetocht massale plunderingen uitbraken, was er een tekort aan militairen om de chaos te voorkomen.

Net als de Amerikanen hadden ook de Britten te weinig militairen in Irak om de opstand in te dammen. „Het land tussen Diwaniyah en Samawah is verlaten en in wanorde. We hebben op dit moment niet genoeg troepen om het aan te pakken”, schreef Bell. De Britten moesten versterkingen uit Iran en India sturen om het verzet de kop in te drukken, zoals ook de Amerikanen extra troepen stuurden om het geweld te beteugelen.

En behalve veel manschappen, kostte de opstand de Britten ook veel geld. Het Britse bestuur in Irak kwam onder druk van Londen te staan: verzin een manier om zoveel mogelijk controle over Irak uit te oefenen, tegen zo min mogelijk kosten. De Britten besloten het militaire bestuur te vervangen voor een tijdelijke autochtone regering, die verantwoording moest afleggen bij de Britse hoge commissaris voor Irak.

In haar brieven beschrijft Gertrude Bell de tegenstrijdigheden van een bezettingsmacht, waar de Amerikaanse militairen ook tegenaan zijn gelopen. „Het is moeilijk dat aan de ene kant het Britse leger dorpen platbrandt, en dat we aan de andere kant mensen verzekeren dat we de verantwoordelijkheid hebben overgedragen aan Iraakse ministers.”

De Britse officier T.E. Lawrence (Lawrence of Arabia) was kritisch over het optreden van zijn landgenoten. In augustus 1920 schreef hij een artikel in The Sunday Times dat veel weg heeft van de kritiek die tegenwoordig op de Amerikaanse bezetting te horen is: „De mensen in Engeland zijn in Mesopotamië in een val gelokt, waaruit het moeilijk zal zijn om te ontsnappen met eer en waardigheid. Ze zijn er ingeluisd door het constante achterhouden van informatie... De zaken zijn veel erger dan ons verteld is, ons bestuur is bloediger en inefficiënter dan het publiek weet.”

Op de zogeheten Conferentie van Kairo in 1921 hebben de Britten de grenzen van de Iraakse politiek vastgelegd, die zouden gelden tot de revolutie van 1958: ze kozen Faisal als de eerste koning van Irak, ze richtten een Iraaks leger op, en ze stelden een nieuw verdrag voor, dat garandeerde dat Irak politiek en economisch afhankelijk bleef van Groot-Brittannië.

De kroning van Faisal was voor Bell een persoonlijk hoogtepunt. Met trots beschrijft ze de plechtigheid op 28 augustus 1921: „Faisal zag er erg waardig maar ook gespannen uit – het was een opwindend moment. Hij keek langs de eerste rij en we hadden oogcontact. Ik gaf hem een kleine saluut. Toen stond Saiyid Hussein op en las de proclamatie voor, waarin hij aankondigde dat Faisal door de bevolking was gekozen tot koning. Lang leve de Koning! We stonden op en salueerden hem, de nationale vlag werd gebroken op de vlaggenstok en de band speelde ‘God Save the King’ – ze hebben nog geen volkslied.”

De Britten kozen voor Faisal omdat ze dachten dat hij genoeg legitimiteit bezat voor de groeiende groep Iraakse nationalisten. Hij was immers een van de leiders geweest van de Arabische opstand tegen de Ottomanen in 1916. Maar het concept van een monarchie was vreemd voor Irak. En ondanks zijn heldhaftige verleden was Faisal geen Irakees. Zijn onderdanen bleven hem zien als een marionet van de Britten. Zijn onvermogen om het vertrouwen van de bevolking te winnen, bleef de politieke onrust aanwakkeren tot in de jaren zeventig.

Ook de oprichting van een sterk Iraaks leger, is van grote invloed geweest op het verloop van de Iraakse geschiedenis. Want doordat het politieke systeem erg zwak was – de instellingen waren gecreëerd door een vreemde mogendheid en Irak kende geen democratische traditie – kon het leger uitgroeien tot de best georganiseerde institutie van Irak. Hierdoor kon het leger steeds meer macht naar zich toe te trekken, wat resulteerde in de militaire staatsgreep van 1958.

Na een periode van grote politieke instabiliteit, waarin de ene coup volgde op de andere, kwam uiteindelijk de Ba’athpartij van Saddam Hussein aan de macht.

Dat heeft Gertrude Bell niet meer meegemaakt. Ze stierf in 1926 in Bagdad aan een overdosis slaappillen. Maar alsof ze het allemaal voorzag, schreef ze op 12 januari 1920: „En dit land, welke kant zal het opgaan met al die onruststokers om het te verleiden? Ik bid dat de mensen thuis zich realiseren dat de enige kans hier is om vanaf het begin de politieke ambities te erkennen en niet te proberen om de Arabieren in onze mal te passen.”

Alle brieven en dagboeken van Gertude Bell zijn te vinden op:gerty.ncl.ac.uk