De schoondochters wacht een zware klus

Het aantal Turks- en Marokkaans-Nederlandse ouderen groeit. Dochters en schoondochters nemen meestal de zorg op zich, vaak ten koste van zichzelf. Maar hoelang nog?

Als Hassan (21) of Mohammed (17) gaan trouwen, nemen ze oma mee. Dat zeggen ze vaak tegen hun grootmoeder. Oma Mimoent (70) lacht trots als ze dat vertelt.

In de huiskamer van de Goudse galerijflat staan bruine banken in hoefijzervorm langs drie muren. Oma Mimoent zit aan de ene kant van de kamer, haar schoondochter Fatima (45) aan de andere kant. Toen Fatima 27 jaar geleden trouwde met Mimoents zoon, kreeg ze haar schoonmoeder erbij.

Fatima vond dat niet erg. Sterker nog, ze vond het prettig en kon de hulp van haar schoonmoeder goed gebruiken bij de opvoeding van de vijf kinderen. Oma Mimoent was die tijd meer tweede moeder dan oma. Nog steeds, zodra een van de kinderen binnenkomt, is de eerste vraag: waar is oma, zegt Fatima. „Zij maakt altijd grapjes met de kinderen.”

De jongste is 13 jaar, de rest is volwassen. De kinderen werken of zitten op school, Fatima’s man werkt als chauffeur. Mimoemt en Fatima hebben meer tijd voor zichzelf en gaan samen naar de markt, naar de stad of naar het park. Ze bidden ook tegelijkertijd, ieder op hun eigen kamer. Vijf keer per dag. Fatima vindt het nog steeds prettig dat Mimoent er altijd is.

In Marokkaanse en Turkse gezinnen is het heel normaal dat de ouders, als ze ouder worden, bij een van de kinderen intrekken. Ouders brengen hun kinderen groot, en als ze zelf zorg nodig hebben, dan bieden hun kinderen dat, zegt antropoloog en onderzoeker Ibrahim Yerden van de Universiteit van Amsterdam. „Zorgen voor de ouders is traditie, binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen”, zeg hij. „Het is zo vanzelfsprekend dat het niet ter discussie staat.” In Marokko en Turkije wonen verschillende generaties aan hetzelfde erf. In Nederland woont familie meestal ook dicht bij elkaar. Yerden: „Soms wonen hele families in één flat.”

De islam schrijft het voor, zegt Nadira Bouchama. „Wie goed voor zijn ouders zorgt, komt in het hoogste paradijs, zeggen wij.” Nadira Bouchama komt voor haar werk bij jeugdzorg in Gouda veel bij mensen thuis. Ze ziet dat de traditie ook in Nederland in ere wordt gehouden.

Als ouders bij een van hun kinderen gaan wonen, kiezen ze het liefst voor hun zoon. Die is verantwoordelijk voor de zorg, en de schoondochter voert de zorg uit. „Daarom”, zegt Yerden, „trouwen Marokkanen en Turken graag binnen de familie. Als de schoondochter een nichtje of achternichtje is, is het voor iedereen wat makkelijker.” Er is nog een andere reden, zegt Nadira Bouchama. „Traditioneel krijgen zonen een groter deel van de erfenis dan dochters.”

Behalve schoondochters zorgen vooral de dochters voor hun ouders. Volgens cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau zorgt de helft van de Marokkaanse kinderen voor hun ouders en eenderde van de Turkse kinderen.

Maar die traditie staat onder druk, zegt bestuursvoorzitter Sadik Harchaoui van multicultureel instituut Forum. Allochtone vrouwen werken steeds vaker. Ze krijgen later kinderen. Daardoor hebben ze, als hun ouders behoeftig worden, thuis jonge kinderen. Harchaoui: „Ze gaan, kortom, steeds meer op autochtonen lijken.” Tegelijkertijd kiezen Marokkaanse en Turkse ouderen er vaker voor in Nederland oud te worden. „Ze hebben geen familie of vrienden in het land van herkomst, en hun kinderen en kleinkinderen wonen allemaal hier.” Hun aantal neemt toe. Nu wonen er 120.000 niet-westerse 55-plussers in Nederland, in 2015 zullen dat er meer dan 260.000 zijn.

Een alternatief vinden voor de zorg van kinderen en familieleden is lastig. Je ouders naar een bejaardentehuis brengen, dat doe je gewoon niet, vinden Marokkaanse en Turkse jongeren, zegt Harchaoui. Nadira Bouchama: „Je mag je ouders niet kwetsen. Dát leren islamitische kinderen van jongs af aan. Volgens de islam komt de moeder voor een zoon op de eerste plaats, hij moet haar waarderen boven zijn vrouw.” Onderzoeker Yerden: „Als kinderen afwijken van het verwachtingpatroon van de ouders, dan zijn de rapen gaar. Dan krijg je roddel en achterklap. Met welk doel? Aanpassing van het gedrag. De kinderen moeten zich schikken in hun rol als verzorger. Psychisch is de druk heel groot. Het is een groot maar verborgen conflict.”

Turkse en Marokkaanse Nederlanders schakelen veel minder vaak dan autochtonen professionele hulp in. Meer dan tweederde van de Turkse, en meer dan de helft van de Marokkaanse 55-plussers kende de thuiszorg niet, of wist niet hoe ze die zorg moesten aanvragen, blijkt uit SCP-onderzoek uit 2004. Zij kregen vooral hulp van verwanten. Deze gezinnen maken weinig gebruik van mogelijkheden de kosten van de zorg deels terug te krijgen via de fiscus, waardoor de zorg ook financieel voelbaar is. De druk op de kinderen en familie in deze gezinnen is ook groot doordat Marokkaanse en Turkse ouderen regelmatig gezondheidsklachten hebben en vaak onvoldoende Nederlands spreken om zelf de gesprekken met een arts te kunnen voeren. Ibrahim Yerden kent voorbeelden van kinderen die tijdens een vakantie van hun ouders verhuizen, omdat ze de zorg niet meer (willen) volhouden. „Het is een taboe. Ze laten het zien in hun gedrag. Tja, zeggen ze dan, we kregen dit huis aangeboden van de gemeente. We konden niet weigeren.”

Uit onderzoek uit 2006 van kenniscentrum Pharos blijkt dat allochtone mantelzorgers grote kans lopen overbelast te raken. Sadik Harchaoui voorziet een groot probleem. Hij zegt dat ruim 10 procent van de Marokkaanse en Turkse Nederlandse meisjes al vanaf de tienerleeftijd zware zorg verleent aan hun ouders. Naar schatting 150.000 tot 200.000 mantelzorgers zijn overbelast, 350.000 mensen werken door de mantelzorg minder of niet. „Daar zitten veel niet-westerse allochtonen bij, en hun aandeel zal groeien”, denkt Harchaoui.

Ibrahim Yerden deelt die bezorgdheid. Volgens hem moet het probleem bespreekbaar worden. Maar ook hulpverleners en overheid zouden moeten kijken hoe ze allochtone ouderen kunnen ondersteunen. „Want als de dochter of schoondochter naast de zorg voor oma niet meer kan werken, of zelfs overspannen raakt, is dat een probleem voor ons allemaal.”

Cemal Kapikiran (69) kan nog goed voor zichzelf zorgen. Hij werkt zelfs nog behoorlijk veel, als Turkse tolk. Hij woont samen met zijn vrouw (59) bij zijn dochter Aysgül, haar man en twee dochters in een nieuwbouwwijk in Deventer. Aysgül vindt dat gezellig, zegt ze. Bovendien zijn haar ouders ongeveer een half jaar per jaar in Turkije. „Dan zijn we met z’n viertjes.” Haar twee zussen en broer zeggen wel eens: goh, dat je het niet zwaar vindt. Maar dan lacht ze alleen maar. „Het is mijn Turkse inslag”, zegt ze.

Rond een uur of zeven ’s avonds komt de man van Aysgül thuis van zijn werk bij de vleeswarenfabriek. Oma (59) zet een bord eten voor hem op de glimmend witte keukentafel. Opa Cemal Kapikiran zit op de bank en trekt zich weinig aan van zijn kwetterende kleindochters Jasmijn (4) en Helen (3). Hij lacht als ze om zijn nek gaan hangen. Hij vindt het soms wel eens druk maar meestal gaat hij om acht uur richting bed.

Cemal Kapikiran en zijn vrouw zijn gezond. Maar als ze ziek zouden worden, dan zorg ik voor ze, zegt Aysgül stellig. Cemal Kapikiran zegt zonder cynisme: „Hier in Nederland zeggen ze: opa en oma zijn lief, maar wonen doen ze in een bejaardentehuis.” Hij lacht. Hij zou daar goed mee kunnen leven, zegt hij. Alleen zijn vrouw zou last hebben van het taalprobleem. „Het zou dan wel een bejaardentehuis met Turken moeten zijn. Zodat mijn vrouw ook lekker kan kletsen.”

Dit is het eerste deel van een tweeluik over Turkse en Marokkaanse ouderen in Nederland.