Bonusuitkeringen oliesector geven de verkeerde prikkels

Regels zijn er om overtreden te worden, althans voorzover het om bonussen gaat. BP en Shell hebben hun topmanagers langetermijnbonussen uitgekeerd, ook al slaagden zij er niet in de van tevoren afgesproken doelstellingen te verwezenlijken. De ontstemde aandeelhouders zeggen nu dat de bonussen moeten worden gebonden aan een reeks duidelijk vastgelegde regels. Maar dit onderdeel van de doctrine van de aandeelhoudersrechten is waarschijnlijk onjuist als het gaat om langetermijnprikkels in de oliesector.

Bij beide ondernemingen hadden de topmanagers recht op een langetermijnbonus (niet te verwarren met de jaarlijkse bonus, die is gebaseerd op andere criteria) als het totale rendement voor de aandeelhouders zou uitkomen in de topdrie van een groep van vijf grote oliemaatschappijen. Het totale rendement, de prestatie van de beurskoers plus de dividenden, werd over drie jaar gemeten.

De raad van commissarissen van het Brits-Nederlandse Shell rechtvaardigde zijn besluit op basis van een fotofinish. De kloof tussen Shell en het als derde geplaatste Franse concern Total bedroeg slechts 1,3 procentpunt. De beloningscommissie kende 50 procent van de bonussen toe, in plaats van de 80 die een derde plaats zou hebben opgeleverd.

Dat klinkt misschien als fluiten in het voordeel van de thuisploeg, maar de hele wedstrijd was niet goed overdacht. Het rendement voor de aandeelhouders over een periode van drie jaar is een vreemde graadmeter voor een sector waar in enorme projecten wordt geïnvesteerd die vaak pas na een jaar of tien het eerste vat olie opleveren. Bovendien kunnen de managers het totale rendement in die korte periode kunstmatig opvijzelen door grote dividenden uit te keren en minder te investeren.

Zowel BP als Shell hebben het gebruik van andere prestatiemaatstaven voorgesteld, zoals de groei van de voorraden of de winst per aandeel. Veel verschillende maatstaven zijn waarschijnlijk beter dan één. Maar de verleiding om vals te spelen teneinde de doelstellingen te halen zal dan nog steeds moeilijk weerstaanbaar zijn – mogelijk ten koste van de duurzame groei op de langere termijn.

Het zou beter zijn om deze criteria wel te gebruiken, maar het bestuur meer ruimte te laten om zelfstandig te beslissen. De raad van commissarissen kan meer – of minder – betalen, afhankelijk van andere, subjectievere criteria, zoals het op tijd, en binnen het budget, vinden en ten uitvoer leggen van grote projecten. Als de aandeelhouders er geen vertrouwen in hebben dat de huidige raden van commissarissen dat op een eerlijke manier kunnen doen, moeten ze maar nieuwe commissarissen aanstellen.

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaaruit Londen: www.breakingviews.com

    • Fiona Maharg-Bravo