Bonte vliegenvanger vroeger terug

Bonte vliegenvangers lijken zich aan te passen aan het warmere Europese voorjaar. De trekvogels waren dit jaar vroeg terug uit Afrika. De vraag is hoe dat kan.

Bonte Vliegenvanger (foto Wim Köhler) Köhler, Wim

Rob Bijlsma controleert dagelijks tweehonderd nestkasten. Het is zijn werk. Bijlsma is sinds de lente van 2007 in dienst van het onderzoeksproject naar bonte vliegenvangers van Christiaan Both van de Rijksuniversiteit Groningen.

Both haalde in 2001 het wetenschappelijke tijdschrift Nature met zijn ontdekking dat het broedsucces van de bonte vliegenvanger in Nederland dramatisch terugliep als gevolg van het warmere voorjaar.

Vogels moeten het broeden zo ‘plannen’ dat ze jongen hebben als het voedselaanbod het grootst is. Bonte vliegenvangers voeren hun jongen graag rupsen. Doordat het voorjaar warmer wordt, komen de rupsen eerder uit hun eitjes. Maar de vliegenvangers zijn trekvogels en komen uit Afrika. Daar kunnen ze niet peilen hoe het voorjaar in Europa zich ontwikkelt. Bonte vliegenvangers zijn goed te onderzoeken, want ze zijn verzot op nestkasten. Hun nesten zijn dus goed voor onderzoek bereikbaar.

In 2006 publiceerde Both weer in Nature, toen hij had aangetoond dat de soort vooral hard achteruitging in bossen met een vroege rupsenpiek. Toch weten vliegenvangers nog jongen op te voeden, dus blijkbaar zijn ze niet helemaal aangewezen op de rupsenpiek. Both en Bijlsma onderzoeken nu hoe de vogels zich aanpassen aan hun veranderende leefwereld.

Daarom hangen die 300 nestkasten in het bos rond Bijlsma’s huis. Nadat die in 2007 waren opgehangen, raakten er meteen 180 bewoond met vliegenvangers. In 2008 waren er al 280.

Eén verandering is al bekend. Vliegenvangers reageren op het gemis van de rupsen door loofbos als broedplaats te mijden. Ze gaan in naaldbossen broeden. „Daar is het voedselaanbod geringer maar diverser en langere tijd beschikbaar”, vertelt Bijlsma.

Bonte vliegenvangers arriveren vanouds eind april uit hun overwinteringsgebieden, maar sommige zijn dit jaar heel vroeg. „Op 3 april hoorde ik het eerste mannetje zingen”, zegt Bijlsma. „En op 24 april vond ik het eerste ei.”

De neiging tot vroeg of laat trekken is waarschijnlijk (deels) genetisch bepaald. Door alle vogels in de kasten te ringen, proberen de onderzoekers te achterhalen of nakomelingen van vroege broeders zelf ook vroeg broeden. Het onderzoek richt zich namelijk op de vraag of de vogels die vroeg zijn, de vertrekdatum uit Afrika in hun genen verankerd hebben. Het kunnen de nakomelingen zijn van ouders die tot de vroege vertrekkers behoren.

Maar de vroege vogels die dit jaar zijn gezien, hoeven geen nakomelingen van vroege broeders te zijn: het is niet zeker dat ze vanwege een genetische aanpassing eerder uit Afrika vertrokken, of de reis sneller aflegden. Het kan ook het gevolg zijn van een voedselrijke winter in Afrika.

Both en Bijlsma waren in maart in Ghana. Daar hebben ze bonte vliegenvangers gevangen. De vogels wogen daar rond 12,5 gram en kwamen in korte tijd drie gram aan. „Dan hebben ze net de rui achter de rug”, vertelt Bijlsma, „of ze zijn al bezig met opvetten om de Sahara te kunnen oversteken.” ‘Opvetten’ doen trekvogels voorafgaand aan de lange reis naar hun zomer- of winterverblijf. Bijlsma: „Vliegenvangers brengen het grootste deel van hun leven in Afrika door, maar tot nu toe was heel weinig bekend van wat ze daar uitspoken.”

Van andere in Afrika overwinterende vogelsoorten is bekend dat de hoeveelheid regenval veel invloed heeft op de overleving. Regen betekent voedsel. „Afgelopen maart, aan het eind van de droge tijd, waren de West-Afrikaanse bossen nog groen”, vervolgt Bijlsma. „Misschien konden de vliegenvangers daardoor eerder opvetten, en eerder terug naar Europa.” Dan zou het vroege vliegenvangerei in Drente een eenmalige gebeurtenis zijn. Geen aanpassing aan de opwarming, maar het geluk van een natte winter in Ghana.

In Drenthe staan de eiken al vol in blad. Sommige bomen zijn al weer kaal: hun blaadjes konden de vraat niet bijbenen. Bijlsma: „Zoals het nu gaat kunnen de vroegste vliegenvangers nog net een staartje rupsenpiek meepikken. Hun jongen krijgen dan waarschijnlijk meer te eten en zullen hun overwintering beter doorkomen, waarna ze volgend jaar meer nakomelingen krijgen dan vogels die later broeden, in magere tijden.”

De onderzoekers doen nu een aantal experimenten om te kijken hoe de vliegenvangers zich aanpassen. Om het effect van één week vertraging te meten, vervangen de onderzoekers bij sommige vliegenvangers de eieren door nepeieren. Na een week gaan de echte eieren weer in het nest. Die vogels broeden dan een week langer en krijgen hun jongen later.

Ook gaan de onderzoekers een deel van de vogels extra voedsel aanbieden. Aan hun nestkasten hangen ze een bakje meelwormen.

Tenslotte zijn er plannen om enkele vogels naar Zweden te verplaatsen. Late broeders zouden daar toch weer succes hebben omdat de rupsenpiek daar nu valt op het moment waar ze vroeger in Nederland aan gewend waren.