April is the cruellest month...

April is the cruellest month... luidt een bekende dichtregel van T.S. Eliot. De waarheid ervan is op de laatste dag van april in Apeldoorn gebleken. Maar om nu te verklaren, zoals Het Financieele Dagblad daags daarna deed in een grote kop op de voorpagina: „Aanslag op kwetsbaar symbool van eenheid in diep verdeeld land” – was dat niet een beetje overdreven?

Toen ik die kop las, dacht ik tenminste: nounou, ik ken nog wel een paar andere landen die op z’n minst even verdeeld zijn als Nederland, zo niet meer verdeeld. Het drama hoeft nu ook niet weer gedramatiseerd te worden. Voor de Belgen bijvoorbeeld is Nederland een paradijs van homogeniteit en eensgezindheid.

Maar we moeten een artikel nooit beoordelen op grond van de kop erboven. Die wordt vaak door anderen dan door de schrijver gemaakt, en ook als hij door de schrijver zelf is gemaakt, kan hij zelden, om technische redenen, de inhoud van het artikel volkomen dekken.

Deze keer echter wél: „Nederland is nooit een toonbeeld van eenheid geweest. De grootste frustratie van de oude koningin Wilhelmina was dat het land na het drama van de Tweede Wereldoorlog gewoon op de oude voet verder ging. Met zuilen van katholieken, protestanten en sociaal-democraten. Nederland is een land van minderheden. Altijd geweest.” Kortom, een „van oudsher verdeeld land”. Allemaal waar, maar is het in andere landen zoveel anders?

Het artikel besluit met: „Afgunst en angst regeren nu het land.” Is dat zo? Het verdeelde volk lijkt zich veeleer na de aanslag hechter om de troon te scharen (om de taal van ouderwetse toespraken te gebruiken). De republikeinen, toch al een klein groepje, zijn in het defensief gedrongen: dát hebben we nooit bepleit!

Nee, werkelijke reden tot paniek zou er zijn geweest als de dader niet een autochtone Nederlander was geweest. Dit kardinale aspect werd in de persconferentie volgend op de aanslag slechts terloops vermeld. Twee dagen later raakte het televisieprogramma Buitenhof het niet aan in zijn gesprek met Lubbers, die er ook over zweeg.

We moeten er niet aan denken wat er zou zijn gebeurd als de dader een allochtoon zou zijn geweest – Nederlander of niet. Uitbarstingen van woede en haat tegen alles wat niet blank is of gebrekkig Nederlands spreekt, zouden zijn gevolgd – al was het maar om de reden dat het volk een feestje door de neus zou zijn geboord.

Ook politiek zouden de gevolgen niet te overzien zijn geweest. Wilders, toch al in de lift na de uitspraak van het Amsterdamse Hof dat hij vervolgd moet worden, en na de Britse weigering hem toe te laten, zou nog meer wind in de zeilen hebben gekregen. Dan pas zou het land onregeerbaar zijn geworden. Dit is ons voorlopig bespaard gebleven. Dát was het springende punt van vorige week donderdag.

Moet Koninginnedag nu op de oude voet doorgaan? We kunnen er niet meer vanaf, sinds de door Oranjeverenigingen georganiseerde defilés voor een deels verveeld Soestdijks bordes plaats hebben gemaakt voor publieke vermakelijkheden of, anders gezegd, de kneuterigheid van toen voor de vulgariteit van vandaag – waarbij de Oranjes meer als aanleiding voor een feestje – entertainment dus – dienen dan als object van verering.

Dit doet de vraag rijzen naar de plaats van de monarchie in een democratie die zich steeds meer verwijdert van het model waarin Thorbecke haar anderhalve eeuw geleden een plaats heeft gegeven. De samenleving is sindsdien onherkenbaar veranderd; de democratie, en de plaats die de monarchie daarin inneemt, dus noodzakelijkerwijs ook. Dat is de loop der geschiedenis. De kunst is dit onvermijdelijke proces zich zonder al te grote schokken te laten voltrekken.

Het artikel in het FD dat de aanleiding tot deze beschouwing was, was tevens symptoom van een andere ontwikkeling (die op zichzelf niets met de monarchie te maken heeft). Traditioneel geeft de voorpagina van een krant, en zeker het artikel waarmee zij opent, uitsluitend nieuws. Nieuws – en hoe het gegeven wordt – was trouwens vanouds de bestaansreden van een krant; de rest was bijzaak, extra toegift – vaak interessant, maar niet strikt noodzakelijk.

Maar wanneer de lezer vandaag de krant uit de bus haalt, kent hij het nieuws meestal al. Het heeft hem via andere kanalen reeds bereikt. Daarom kon het FD vrijdag moeilijk openen met het nieuws van de aanslag van donderdag, want het was geen nieuws meer. Maar het kon het evenmin negeren. Daarom opende het met een beschouwing. Dat zie je steeds meer gebeuren, ook bij andere kranten. Voor degeen die opgegroeid is met de principiële scheiding tussen nieuws en commentaar, is dat even wennen. Maar alles went op den duur.

Een ander gevolg is dat er in de krant steeds meer aan duiding wordt gedaan. Maar of dat tot duidelijkheid bijdraagt, is de vraag. Een stoet van dames en heren, die alleen zichzelf vertegenwoordigen – le journal est un monsieur, heette het vroeger – spuien hun mening. Prachtig voorbeeld van democratie! Theoretisch draagt die baaierd van persoonlijke opinies inderdaad bij tot de vrije meningsvorming van het publiek, maar wordt dit er in de praktijk niet eerder door in verwarring gebracht?

Ook hier rijst de vraag of de stelregels van de democratie zoals wij die uit de negentiende eeuw geërfd hebben – waaronder de vrije meningsvorming – nog wel te handhaven zijn in een volstrekt andere samenleving, ja misschien niet de kans lopen in hun tegendeel om te slaan. Immers, als het gevolg van die baaierd is dat de lezer vermoeid gaat zeggen: „Ze zoeken het maar uit”, dan is dat het tegendeel van wat de democratie beoogt.

Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of reageer online via nrc.nl/heldring