Paard achter wagen

Sergio Marchionne, de bestuursvoorzitter van de Fiat Group, heeft een fijne politieke neus. Door de crisis zijn staatssteun en protectionisme weer in de mode. Weliswaar hebben de industrielanden van de G20 in Londen wederom gewaarschuwd voor overheidsbarrières in de wereldhandel, maar het hemd is vaker nader dan de rok. Dat schept ruimte.

Marchionne heeft dat scherp door. Hij wil voor een appel en een ei Opel en Saab van het zieltogende General Motors (GM) overnemen, nadat hij vorige week ook al 20 procent van Chrysler had verworven. Het nieuwe Fiat zou met een omzet van 80 miljard euro en 7 miljoen auto’s per jaar, na Toyota, het tweede concern ter wereld worden. „Een hemels huwelijk”, zei Marchionne in navolging van de topman van Daimler Benz, die aanvankelijk hetzelfde beweerde over zijn fusie met Chrysler die in 2007 op een drama uitdraaide.

Dat Marchionne die metafoor gebruikte, is logisch. Fiat wil de Europese tak van GM gratis in handen krijgen. Hij wil staatsgaranties van 5 tot 7 miljard euro. Maar dan krijg je ook wat, aldus Marchionne. Hij zegde niet toe dat alle banen bij Opel worden behouden, maar wel dat de vier filialen in Duitsland open zouden kunnen blijven.

Met die belofte, niet toevallig in Bild Zeitung, begaf Fiat zich onbekommerd op verkiezingscampagne. Met de Bondsdagverkiezingen van eind september in aantocht is werkgelegenheid in de autobranche, in Duitsland nationale trots bij uitstek, een politiek thema dat de huidige regeringspartijen CDU en SPD kan maken of breken. Het is dan ook geen toeval dat minister Steinmeier van Buitenlandse Zaken zich in zijn hoedanigheid als vicekanselier en SPD-lijsttrekker nadrukkelijk bemoeit met de toekomst van Opel.

Zo zou hij volgens de Britse zakenkrant Financial Times een lijst met veertien voorwaarden voor de overname van Opel hebben opgesteld. Twee daarvan: het hoofdkwartier zou in Duitsland moeten blijven, net als de belastingafdracht.

Het vernuft van Marchionne is onmiskenbaar. De Duitse regering staat in dit verkiezingsjaar met de rug tegen de muur, zoals het eisenpakket van Steinmeier illustreert. Er zijn ook andere gegadigden om Opel te redden van de totale ondergang, zoals de Canadese toeleverancier Magna. Maar de werkgelegenheid bij Opel blijft een electoraal criterium waar geen politieke partij omheen kan.

Maar toch is deze aanpak een heilloze weg. Om twee redenen. Het droomhuwelijk waar Marchionne aan werkt, kan een wig drijven binnen Europa. Want waarom zou Opel met belastinggeld kunnen worden gered, waar andere autoconcerns zichzelf moeten redden? En, nog belangrijker, het gaat voorbij aan het feit dat de Europese auto-industrie niet alleen in problemen is geraakt door de kredietcrisis. Ze wordt nu ook geconfronteerd met het pijnlijke feit dat ze al te lang te veel de verkeerde auto’s produceert. Het is niet zo dat er geen vraag meer is naar auto’s. Er is vraag naar andere auto’s.

Overheidssteun voor een nieuwe automammoet is het paard achter de wagen spannen.