Kijken, kijken, maar vervolgens niets doen KLIK

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waarom hebben foto’s van andermans leed grote aantrekkingskracht?

In een gemedialiseerd tijdperk is het praktisch ondenkbaar geworden dat een tragedie, zoals die plaatsvond op Koninginnedag, ongeregistreerd aan ons voorbijgaat. Het aantal journalisten bij een dergelijk evenement is immens en bovendien heeft tegenwoordig bijna iedereen een digitale camera of mobiele telefoon met fotofunctie.

Het duurde dan ook niet lang of het internet werd overspoeld met beelden die het drama uit alle mogelijke perspectieven lieten zien. De volgende dag stonden ook de kranten vol met foto’s die, op het allereerste begin na, niets van het incident onopgemerkt lieten: je zag mensen door de lucht vliegen, slachtoffers gereanimeerd worden en omstanders verschrikt toekijken. Het AD opende zelfs met een paginagrote foto van de dader, die bloedend uit het raam van zijn auto hing.

Deze beeldcultuur is inmiddels zo alomtegenwoordig en vanzelfsprekend dat we er nauwelijks nog bij stilstaan. Ze is zelfs bijna tot onze instincten gaan behoren: zouden mensen tweehonderd jaar geleden, als zij getuige waren geweest van een aanslag, waarschijnlijk direct vluchten of te hulp schieten, nu grijpen veel mensen haast automatisch eerst naar hun camera om het gebeurde vast te leggen. Weinig mensen kijken dan ook nog verbaasd op als zij bloederige foto’s van een aanslag in de krant of op het journaal voorbij zien komen – we zijn het gewoon gewend.

Toch werpen die beelden talloze filosofische vragen op die de moeite waard zijn te overdenken, zoals: wat is toch de aantrekkingskracht van foto’s op mensen, vooral als zij de pijn en ellende van andere weergeven? En hebben wij eigenlijk wel het recht die ellende vast te leggen? En wat doen die beelden met ons besef van de wereld: verkleinen zij de afstand tot de gebeurtenis die we aanschouwen of wordt die juist vergroot?

Met deze vragen komen we al gauw uit bij de Amerikaanse filosofe Susan Sontag (1933-2004), die in haar boeken Over Fotografie (1977) en Kijken naar de pijn van anderen (2003) als een van de eerste denkers een systematische beschouwing over de rol van foto’s in onze samenleving uiteenzette. Sontags beroemde uitspraak dat „foto’s verzamelen de wereld verzamelen is” geeft een goede inleiding in haar denken.

Mensen hebben namelijk altijd al de behoefte gehad de wereld om hen heen vast te leggen, weer te geven en te interpreteren, constateert zij, maar tot in de negentiende eeuw hadden ze daarvoor alleen het geschreven woord, de tekening, het schilderij en de beeldhouwkunst tot hun beschikking. Pas in 1820, toen de eerste vorm van de moderne fotografie werd uitgevonden, kwam daar een methode bij die door de digitalisering inmiddels zeer wijdverspreid is.

De ongekende vlucht in populariteit die fotografie de afgelopen twee eeuwen heeft doorgemaakt, kan volgens Sontag, kort samengevat, worden teruggevoerd op drie redenen. De eerste reden is tamelijk praktisch van aard. Foto’s maken is, meer dan schrijven, schilderen of beeldhouwen, zeer eenvoudig: iedereen kan het. Dat wil niet zeggen dat alle foto’s kwalitatief even goed zijn, maar wel dat het produceren ervan – zeker na de digitalisering – weinig tot geen speciale kunde vereist.

„Fotografie is de enige belangrijke tak van kunst waarbij een vakopleiding en jarenlange ervaring geen onoverkomelijke voorsprong bieden op beoefenaars zonder opleiding of ervaring”, aldus Sontag. Hier zijn meerdere redenen voor, zegt de filosofe, waaronder „de belangrijke rol die toeval (of geluk) speelt bij het nemen van foto’s, en de voorliefde voor wat spontaan, primitief en onvolmaakt is”.

De tweede oorzaak voor de populariteit van fotografie is de grote toegankelijkheid ervan. „Een foto spreekt maar één taal”, zegt Sontag. „Daardoor richten foto’s zich in potentie tot alle mensen, in tegenstelling tot het geschreven verslag dat zich, afhankelijk van de mate van diepgang, het kader waarin het wordt gebracht en het woordgebruik, tot een groot of klein publiek richt”. Of, anders gezegd: (nieuws)foto’s zijn voor bijna iedereen onmiddellijk begrijpelijk.

De derde en belangrijkste reden die Sontag aanwijst, is meer filosofisch van aard, namelijk: het verband dat foto’s lijken te hebben met waarheid. Meer dan het geschreven woord of de geschilderde afbeelding worden foto’s in staat geacht de werkelijkheid weer te geven zoals deze echt is – of in ieder geval zoals ze wordt waargenomen. Stel je maar eens voor, zegt Sontag, dat je een afbeelding kon krijgen van een beroemd persoon uit het verre verleden: zou je dan kiezen voor een geschilderd portret of een foto? De meeste mensen zullen waarschijnlijk kiezen voor het laatste, omdat ze er dan achterkomen hoe die persoon er ‘echt’ heeft uitgezien, aldus Sontag.

Dat vertrouwen in het medium blijkt ook uit ons taalgebruik. Verhalen schrijf je, schilderijen maak je, maar foto’s neem je. De fotograaf eigent zich als het ware een stukje werkelijkheid toe. Waar we een schilderij ‘vals’ noemen, als deze door een ander is geschilderd dan de persoon aan wie het doek wordt toegeschreven, vinden we een foto pas ‘vals’ als deze gemanipuleerd is of in scène gezet.

De maker – en diens interpretatie van de werkelijkheid – wordt in die zin dus irrelevant gemaakt, waardoor aan foto’s een hogere mate van objectiviteit wordt toegedicht. Of, zoals de Britse schrijfster Virginia Woolf (1882-1941) ooit schreef: „Foto’s zijn geen betoog.”

Tegelijkertijd erkent Sontag ook dat foto’s vaak veel minder objectief zijn dan ze op het eerste gezicht lijken. Dat gaat niet alleen op voor gephotoshopte bikiniposters in de bushokjes. Nee, in feite zijn alle foto’s op een bepaalde manier een interpretatie: ze zijn immers per definitie een momentopname. Op foto’s staat de tijd stil, zoals dat in de realiteit nooit gebeurt. Bovendien zijn op foto’s de intenties en bedoelingen van mensen nooit zichtbaar. Daardoor kunnen ze aanleiding zijn tot veel misverstanden.

Een mooi voorbeeld is een van de foto’s van het drama op Koninginnedag die De Telegraaf publiceerde. Daarop is te zien hoe een aantal politieagenten de andere kant opkeek, toen Karst T. in zijn Suzuki Swift aan kwam rijden. De krant suggereerde daarop dat de veiligheidsdiensten volstrekt niet voorbereid waren op een dergelijke aanslag – een aantijging die weliswaar bevestigd werd door het beeld, maar in werkelijkheid natuurlijk niet uit zo’n momentopname is af te leiden.

Het ironische is dat Sontag in haar beschouwing over de effecten van de beeldcultuur uitgerekend waarschuwt voor deze passieve houding die De Telegraaf toevallig constateert bij de politieagenten. Ze stelt namelijk dat de alomtegenwoordigheid van fotografie mensen een houding van „anti-interventie” heeft aangeleerd. Door foto’s aanschouwen we de wereld meer dan dat we er actief in participeren.

Dat geldt natuurlijk voor de fotograaf, omdat „iemand die objectief registreert, niet kan interveniëren en iemand die intervenieert, niet objectief kan registreren”. Maar hetzelfde geldt voor het publiek: foto’s verschaffen ons namelijk „de positie van consument ten opzichte van gebeurtenissen”, aldus Sontag. Met andere woorden, we eigenen ons gebeurtenissen toe zonder er echt onderdeel van te zijn. Zo verwerven we een „surrogaatbezit” van de wereld om ons heen.

Sontag geeft hiermee op een iets ingewikkelder geformuleerde manier uiting aan een inmiddels veelgehoorde kritiek op de beeldcultuur, namelijk dat de overvloed aan beelden van het leed van anderen mensen onverschillig en ongevoelig maakt. Foto’s verkleinen de afstand tussen het publiek en de gebeurtenis – die vaak ergens ver weg heeft plaatsgevonden – maar vergroten tegelijkertijd de afstand ook: we voelen er ons steeds minder door geraakt.

Sontag kan zich deels vinden in deze analyse – die overigens al bijna zo oud is als het medium fotografie zelf. Maar ze heeft er ook grote bezwaren tegen. Dat de overvloed aan beelden ons heeft afgestompt en de gevoelde afstand tot de werkelijkheid heeft vergroot, wordt volgens haar namelijk dikwijls te ver doorgevoerd. Mensen hebben door die kritiek namelijk de neiging om de werkelijkheid af te doen als iets wat „alleen nog maar uit beelden bestaat”. Maar, zegt Sontag, „slechts onze ervaring van de werkelijkheid erodeert; de werkelijkheid zélf blijft bestaan”.

Sontag vindt dan ook dat we in reactie op de beeldcultuur, die zich de werkelijkheid ongevraagd heeft toegeëigend, ons bewuster zouden moeten zijn van het feit dat achter het leed op iedere foto in de krant werkelijke pijn schuilgaat. Laten we, om te beginnen, met die gedachte in ons achterhoofd dus nog eens kijken naar de beelden van afgelopen Koninginnedag – en er dan eventjes écht bij stilstaan.