Een echte bunkeraar is ook goed voor vleermuizen

Geen vrouwen, wel bunkers. René van Poelgeest van de Haagse Bunkerploeg wil er nog wel 1.200 opgraven. Een verslaving is het. Over de illegaliteit van na de oorlog.

Middenin de duinen ligt een tijdmachine, zomaar voor het opgraven. Je wurmt je, de voeten vooruit, door een nauwe schacht in het zand – en waant je in 1943. Als je pech hebt, vind je graffiti, condooms en flesjes bier. Je hoopt dat de bunker nog ‘maagd’ is: onbetreden sinds de Duitsers hem verlieten.

„Het is pure hobby, net als postzegels verzamelen. Je wilt ze allemaal hebben”, zegt een bunkeraar die niet met zijn naam in de krant wil: zijn hobby is illegaal. Hij is 35 en graaft „al zeker tien jaar” ’s nachts naar bunkers in de duinen. „Een bunker-nerd”, noemt hij zichzelf. Naast het verzamelen gaat het hem om het avontuur, „en om het historisch onderzoek”.

Hij is niet de enige. Zoals deze bunkeraar zijn er tientallen: elke kustgemeente heeft wel een clubje serieuze gravers. Je hebt de Zandvoortse Bunkerploeg. Er is een Haagse Bunkerploeg, HBP. Er zijn de Bunker Boys Oostvoorne.

Hun speurtocht begint bij het Nationaal Archief, waar de stafkaarten liggen van het naoorlogse Bureau Registratie van Verdedigingswerken (BRV). Het BRV inventariseerde na de oorlog de verdedigingswerken. Met de Koude Oorlog voor de deur konden ze nog van pas komen.

Met een digitaal beeldbewerkingsprogramma legt de bunkeraar een oude luchtfoto van de Engelsen over de BRV-tekening. En daaroverheen weer een moderne luchtfoto, van Google Earth bijvoorbeeld. Zo weet hij precies waar hij moet graven.

De bunkeraar in dit artikel woont bij zijn ouders op zolder, in Rotterdam. Langs de muren van zijn kamer staan archiefkasten en bunkerboeken. Hij heeft geen vriendin. „Wat wil een vrouw ook met mij”, zegt hij, „vroeger verzamelde ik stenen, nu doe ik in bunkers.” En een vriendin is lastig, als je elke zaterdagnacht in de duinen graaft en op doordeweekse avonden met oude kaarten in de weer bent. In de vakanties bezoekt hij bunkers in Frankrijk of Denemarken. Hij kent geen vrouw die ook naar bunkers graaft.

Want bunkeraars zijn bijna allemaal mannen. Mannen die elkaar treffen in het museum of het archief – en elkaar herkennen aan hun camouflagekleding. De groepen concurreren onderling, maar helpen elkaar ook op bunkerfora. Daar vragen ze elkaar bijvoorbeeld om informatie over de luchtzuivering „in een bunker type 611”.

Echte bunkeraars onderscheiden blind een lichtgewichtbunker van een bunker die een bom van vijfhonderd kilo aankan. Ze spreken onderling met ontzag over de techniek. Over het ventilatiesysteem om de afslag van de kanonschoten af te zuigen. Over de lichtgevende verf die in het donker de nooduitgang aanwees. Of over die slimme Duitsers, die op sommige bunkers ramen schilderden, compleet met vazen bloemen en oude vrouwtjes achter ‘glas’, zodat ze op Engelse stafkaarten als woonhuizen werden gemarkeerd.

Nee, bunkeraars hebben doorgaans geen nazistische sympathieën. Maar ze hebben met terugwerkende kracht wel sympathie voor de soldaten die hier opgesloten zaten, tussen muren van twee meter dik. „Gewone jongens zoals wij”, zegt de bunkeraar op zijn zolderkamer.

Bunkeraars noemen zich „experts” en distantiëren zich van jongeren die ’s nachts met gettoblasters, drank en meisjes rond de bunkers hangen. Echte bunkeraars hebben bunkermores. Zo laten ze in de regel niets achter in de bunkers, omdat ze de volgende bunkeraar de illusie gunnen een maagdelijke bunker te betreden. De kuilen die ze graven, gooien ze altijd weer dicht: ze willen wandelaars en loslopende dieren een val besparen. Helmgras wordt voorzichtig teruggeplant. En ze proberen de vleermuizen die in veel bunkers huizen niet te storen.

Wel nemen ze soms wat mee. Serieuze bunkeraars „proberen de originele inventaris te redden en aan een museum te schenken”, zegt de bunkeraar. Zo legitimeren ze hun illegale activiteiten: „Anders vullen lui zonder historisch besef hun zakken.”

Maar niet iedereen doet dat. In de duinen lopen ook handelaren rond, die hun vondsten verkopen op veilingsites. Een Duitse jerrycan uit 1942 brengt daar ongeveer 50 euro op, een periscoopkop 100.

En dat soort diefstal is betreurenswaardig, zegt Cor Quist, voorzitter van de Stichting Vesting Hoek van Holland. „Die jongens kijken puur of er wat te halen valt. Dat gebeurt met regelmaat, elk weekeinde is het wel ergens prijs. Sommige lui gaan door het hele land en nemen alles mee wat los en vast zit.”

„Ja, wij nemen spullen mee”, zegt René van Poelgeest (45) van de HBP, „maar we willen die met het publiek delen.” Daarom liggen de meeste vondsten te wachten in een grote loods, om later ten toon te stellen. „Maar geen museum wil met ons samenwerken, omdat we een stempel van illegaliteit op ons hebben”, zegt Van Poelgeest. Hij wil best met zijn naam in de krant. „De politie kent me toch al.”

Van Poelgeest is één keer gearresteerd, maar hoefde niet voor te komen. De bunkeraar uit Rotterdam heeft in tien jaar graven „nog nooit een prent gehad”. Terwijl ’s nachts langs de hele Hollandse kustlinie groepjes in en rond bunkers hangen, werd in 2008 slechts achttien keer proces-verbaal opgemaakt. En dat terwijl de politie streng toezicht zegt te houden, na enkele gevaarlijke ongelukken.

Zo viel een 17-jarige jongen anderhalf jaar geleden in de ingang van een bunker bij Hoek van Holland. Hij lag daarna enkele dagen in coma. In februari vorig jaar kwamen twee jongeren vast te zitten toen hun kuil bij een bunker in de Katwijkse duinen instortte. Een graafmachine moest het tweetal bevrijden. En een maand later kreeg een 16-jarige jongen bij het uitgraven van een bunkeringang in Kijkduin een stortblok van 700 kilo op zijn rug. Hij brak twee rugwervels.

Rudi Terlouw, regiohoofd van Zuid-Hollands Landschap, weet dat er geregeld in bunkers wordt ingebroken. „Onze boswachters proberen de bunkers dicht te houden, maar die jongens zijn heel creatief. Ze rijden zelfs met terreinwagens de duinen in om een bunkertje open te trekken. Bij de politie ligt de prioriteit toch op de openbare weg en in de bebouwde kom.”

Volgens Van Poelgeest jaagt de Haagse boswachter al jaren op de HBP, die bestaat uit een vaste kern van twaalf „betonfreaks” (gemiddelde leeftijd: ongeveer 40 jaar). „Maar dat spel maakt het juist mooi”, zegt hij. „Het is de combinatie van historie, natuur, vriendschap en spanning.”

Van Poelgeest zou „nog zeker 1.200 bunkers” willen opgraven. „Dat ga ik van mijn leven niet redden. Maar ik kom met twee stuks per week een heel eind.”

Het is een verslaving, zegt hij. „Als ik een week niet op pad ben geweest, ga ik trillen.”

    • Leonie van Nierop