Ziekenhuizen in een jaarlijkse tombola

Ziekenhuizen moeten beslissen of ze meewerken aan de Elsevier-ranglijst. Bestuurders betwisten de uitkomsten ervan, maar niet meedoen kan een slechte score opleveren.

Onderzoeker Peter Lagendijk stuurt in januari van dit jaar een brief naar de raden van bestuur van Nederlandse ziekenhuizen. Ze rapporteren al sinds de eerste jaarlijkse Elsevier-enquête in 1996 hun ervaringen aan hem, schrijft hij. Nu biedt hij zijn diensten aan. „Wat draagt bij om tot een hoog eindoordeel te komen? Wat moet voorkomen worden om een lage waardering te ontlopen?”

Op pagina acht zegt hij dat zwakke specialismen „kwalijk zijn voor uw reputatie”. Maar: „Eventueel kan ik u van dienst zijn met het benoemen van uw (eventueel) minder goed functionerende specialismen. [...] Ik zoek voor u in mijn geheime laatje.” De bestuurders krijgen kosteloos een „summier nabericht” met bevindingen over hun ziekenhuis, schrijft hij twee maanden later. „Wilt u de achtergronden? [...] Bestel dan het complete verslag.” Dat kost 4.250 tot 6.250 euro, exclusief btw.

Dit najaar verschijnen weer de jaarlijkse ranglijsten van ziekenhuizen, van het Algemeen Dagblad, adviesbureau Roland Berger en Elsevier. De eerste twee baseren zich op bestaande gegevens, van bijvoorbeeld de inspectie en uit jaarverslagen. Elsevier doet eigen onderzoek en vraagt medewerkers wat ze vinden van hun eigen en concurrerende ziekenhuizen.

Ziekenhuizen moeten nu beslissen of ze aan het onderzoek meewerken. Het kost tijd en bestuurders betwisten de uitkomsten. Maar niet meedoen kan betekenen: slecht scoren op een lijst die enorm goed wordt gelezen. Niet voor niets laten ziekenhuizen taart aanrukken als ze het er goed van afbrengen.

Ziekenhuizen zitten „in een prisoner’s dilemma”, mailde secretaris Pier Wijnja van de raad van bestuur van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen in april aan alle directiesecretarissen van ziekenhuizen. „We vinden het onderzoek niet professioneel en willen eigenlijk niet meedoen. Maar als een paar ziekenhuizen besluiten niet mee te doen en de rest doet dit wel, eindigen deze ‘dapperen’ onderaan.”

Vlak daarvoor had de brancheorganisatie voor marktonderzoekers MOA – 1.600 leden – „na signalen uit de markt” een zeer kritisch rapport over de Elsevier-methode uitgebracht. Het onderzoek vertoont „ernstige gebreken”, concludeert MOA. Ook „is de kans levensgroot aanwezig dat de resultaten van het onderzoek worden gemanipuleerd.” Elsevier kán met deze methode helemaal niet zeggen wie nummer één, of twee of drie is, zegt MOA-voorzitter Pieter Paul Verheggen, ook directeur bij onderzoeksbureau Motivaction. Als klinieken zelf mogen bepalen of ze meedoen, hoeveel mensen de enquête invullen en wie, maakt dat de steekproef subjectief, beïnvloedbaar en niet representatief, vindt hij.

De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen stelt in een brief van 8 april aan de leden dat het bestuur „zich kan voorstellen dat het (in- en extern) uitzetten van de vragenlijsten een lage prioriteit in uw instelling krijgt.”

Elsevier was in 1996 de eerste die informatie gaf over de prestaties van ziekenhuizen. Er waren nog geen objectieve gegevens beschikbaar en dus vroeg het weekblad aan Peter Lagendijk of hij de kwaliteit van ziekenhuizen kon meten. Lagendijk bedacht een peer audit: ziekenhuismedewerkers vertellen bij wie je moet zijn voor welke aandoening. Elsevier heeft „absoluut pionierswerk verricht”, zegt directeur Gita Gallé van de vereniging van ziekenhuizen. „Ze hebben een goed druk uitgeoefend op ziekenhuizen om meer openheid te geven. Maar nu zijn we jaren verder en is er goede, objectieve informatie beschikbaar. We zijn de periode voorbij dat we genoegen moeten nemen met dit soort subjectieve informatie.”

Van de 92 ziekenhuizen hebben er 70 de enquête bij hun medewerkers uitstaan, zegt onderzoeker Peter Lagendijk. Hij vertelt dat hij álle ziekenhuizen aanschrijft en dan drie maanden uittrekt voor „het veldwerk”. Als hij rare dingen tegenkomt, belt hij, herweegt hij en corrigeert hij de gegevens. Hij erkent dat personeel altijd positiever is over het eigen ziekenhuis dan over een concurrent. „Maar er zijn ook ziekenhuizen die niet meedoen en toch hoog scoren, zoals het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam.”

Zijn de conclusies die Elsevier op basis van zijn onderzoek trekt te stellig? „Op basis van mijn enquête kun je niet zeggen wie nummer één of twee of drie is. Ik neem daar afstand van, dat kunt u zeggen ja. Ik heb een andere dan een journalistieke verantwoordelijkheid.”

Zegt Lagendijk dat? vraagt chef Arthur van Leeuwen van de onderzoeksredactie van Elsevier. „De interpretatie van Lagendijks data nemen wij voor onze rekening, maar hij maakt de puntentelling. Naar mijn mening kan ranken heel goed. Als je het niet doet vraagt iedereen: wie is nou de beste?”

MOA is bij hem langs geweest. „Ze weten veel van onderzoek, maar niets van zorg. We maken ook ranglijsten van scholen en gemeenten, dat is gemakkelijker. De zorg is niet heel toegankelijk. De prestatie-indicatoren van de inspectie zeggen iets over verpleging en doorligwonden, maar niets over sterftecijfers of onnodige infecties. Niets waarop je ziekenhuizen kunt afrekenen. Elsevier is de enige die lijsten maakt die niet alleen gebaseerd zijn op overheidsinformatie.” De kritiek van MOA vindt hij onvoldoende om de Elsevier-enquête „van tafel te doen”. Met verbeteren van het onderzoek „waren we al bezig”.

Het ziekenhuis van Pier Wijnja in Assen besloot niet meer mee te doen. Het AMC in Amsterdam deed al niet mee, net als het Streekziekenhuis Koningin Beatrix in Winterswijk en het Slingeland Ziekenhuis in Doetinchem. Het St. Anna Ziekenhuis in Geldrop wel. „We trekken de kwaliteit van het onderzoek sterk in twijfel. Maar of we meedoen of niet, in die tophonderd komen we toch”, zegt een woordvoerder.

Wat merkten de ziekenhuizen in Winterswijk (Elsevier 2008: ‘slecht’) en in Doetinchem (‘gemiddeld’) van het niet meedoen vorig jaar? Niets, zeggen ze. De woordvoerder in Doetinchem: „Geen negatieve reacties, geen vragen van patiënten. Vlak daarvoor was de AD Top-100 uitgekomen. We stonden op de zevende plaats.”

    • Esther Rosenberg