Zestig jaar rechtsstaat

Toen de Tweede Wereldoorlog in mei 1945 voorbij was, weerklonk overal in het verwoeste en gedemoraliseerde Europa een nagenoeg identiek pleidooi: „nooit weer”.

Vier jaar later werd een eerste stap gezet om dit appèl aan de toekomst vorm te geven. Precies zestig jaar geleden, op 5 mei 1949, werd in Londen de Raad van Europa opgericht. Doel van de tien initiatiefnemers, waaronder Nederland: het verdedigen en versterken van de rechtsstaat, die het tussen 1939 en 1945 zo gruwelijk had laten afweten. Anderhalf jaar later, op 4 november 1949, onderstreepten de tien landen hun intenties in Rome met de ondertekening van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In Rome werd toen ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens opgericht.

Vooral dit Hof in Straatsburg, dat uiteindelijk in 1959 zijn deuren opende, heeft de Raad van Europa een sterk en tastbaar gezicht gegeven. In Straatsburg kunnen zowel lidstaten als individuele burgers hun beklag doen: over elkaar en over de overheid. In Straatsburg is de afgelopen vijf decennia zo bevochten dat de ‘rule of law’ een supranationale verworvenheid is waarvoor zelfs de grootste landen het hoofd moeten buigen. Ook Nederland, dat van zichzelf denkt boven elke verdenking te zijn verheven, ervaart dat steeds vaker.

De Raad van Europa is zestig jaar na dato dus nog steeds een normerende institutie, waarbij nu al 47 landen willen horen. In de geschiedenis heeft alleen Griekenland zich in 1969 moeten terugtrekken. De militaire junta, die daar toen aan de macht was, had geen andere keus nadat de druk tot grote hoogte was opgevoerd door onder anderen de latere minister Van der Stoel van Buitenlandse Zaken.

Deze cause célèbre is zestig jaar na de oprichting van de Raad van Europa weer actueel. Een aantal nieuwe lidstaten solliciteert immers naar vergelijkbare sancties. Van de circa 100.000 zaken, die nu bij het Hof in Straatsburg liggen, zijn er meer dan 27.000 tegen de Russische, ruim 11.000 tegen de Turkse en bijna 9.000 tegen de Roemeense staat gericht.

Straatsburg bezwijkt zo langzamerhand onder deze last. Hervormingen zijn dus geboden. Maar name Rusland blokkeert die tot nu toe. De dubbele moraal waar de Russische regering zich van bedient – in woord worden de mensenrechten geëerbiedigd, in daad frustreert ze de toetsing ervan – plaatst de overige lidstaten voor een dilemma: handhaven, schorsen of uitzetten?

Eigenlijk is er maar één reden om Moskou toch te blijven tolereren. Voor de mensenrechtenactivisten in Rusland, op wie het regime van Poetin het zo vaak heeft gemunt, is het Hof in Straatsburg een laatste plechtanker. Zonder de Raad van Europa zouden zij nog verder geïsoleerd raken.

En zover moet het niet komen. Want het openen van de rechtsstaat voor alle individuele burgers – van fundamentele waarde, zeker voor die burgers die door de staat worden verdrukt – was op 5 mei 1949 een van de belangrijkste motieven om te beginnen met dezelfde Raad van Europa.