Op de Dam

Al vier uur voor het begin van de Dodenherdenking op de Dam werd mij duidelijk dat er die avond voor het gewone publiek weinig te zien zou zijn. Het was de dag van het defilé der dranghekken. Ze hadden er altijd maar dom bij gestaan, die hekken, maar nu rukten ze zelf in gesloten gelederen op.

Overal waar je wilde staan of lopen, verscheen een dranghek voor je. Liefst een dubbel dranghek met twee meter verboden tussenruimte. Opgedonderd, zei dat hek, ik sta hier voor jouw veiligheid, maar ik kan niets garanderen, dat weten jullie inmiddels, dus blijf vanavond maar thuis bij de tv, dan kun je het ook nog beter zien.

Ondertussen was de generale repetitie achter de dranghekken al begonnen. Je kon zien wat je ’s avonds niet kon zien. Bij de vlaggemasten stonden verkenners op aanwijzing van hun leider („Halfstok!”, Hou vast!”) met de vlag te manipuleren.

Een meisje ging op het spreekgestoelte achter de microfoon staan en las gedragen voor: „Je kwam nooit meer terug (…) als een ridder ging je.”

Even later kwam burgemeester Cohen met wapperende jaspanden en licht bezorgde blik het terrein verkennen. Ook hij las enkele dichtregels voor: „Ik ben onderweg, ik zit in de trein.” Hij liet zich door de tv interviewen en spoedde zich weer per auto weg. Ik probeerde ook weg te komen, maar de afzetting was nu al zo ver doorgevoerd dat ik over een dranghek moest klauteren.

Wat te doen ’s avonds? Wel of niet naar de Dam? Elk jaar aarzel ik. In de buurt zijn intiemere herdenkingen, maar op de Dam gebeurt ‘het’, hoe je het ook wendt of keert. Dit jaar was het door de voorgeschiedenis een gebeurtenis met een extra affectieve lading. Dus toch maar terug naar de Dam.

Drie kwartier voor het begin bereikte ik via de Paleisstraat de Dam. Aan het begin van de straat blokkeerden drie politieauto’s de doortocht voor andere auto’s. Als het kalf verdronken is, verspert men de weg. Enkele meters vóór deze blokkade vonden fouilleringen plaats. Wie er niet erg Nederlands uitzag, kon op bijzondere aandacht rekenen.

Een Spaans uitziende man moest zijn sporttas ter inspectie afgeven. „Doe je handen uit je zak”, snauwde een politieman tegen de geschrokken man. Een Chinese man met een beige mutsje op liet zich gedwee betasten, alsof hij eraan gewend was. Drie Marokkaanse jongens werden door twee politiemensen teruggeduwd – ze mochten niet naar de Dam. Ze reageerden furieus. Het was niet duidelijk wat er precies aan voorafgegaan was.

Allemaal taferelen die ik nooit eerder bij de Dodenherdenking had gezien. Zo werden we geringeloord door die ene dode uit Huissen, die we nu juist niet wilden herdenken.

Het applaus redde toch nog enigszins de avond. Het begon al met wat lichte klapjes toen de koningin de Dam opkwam. Het werd een demonstratie tijdens de korte rede van Cohen. Een vlakke rede, maar er zat één uitstekende zin in die dan ook alle tv-samenvattingen haalde: „Dit jaar in het bijzonder prijzen wij ons gelukkig met haar aanwezigheid.”

Hij liet handig een korte retorische stilte vallen. Achter mij, ergens voorbij Peek & Cloppenburg, begonnen een paar mensen te klappen. Iemand moet de eerste zijn, ook hier.

Toen trok het applaus als een windvlaag door de menigte.

    • Frits Abrahams