Is deze stad soms gek aan het worden?

Moeten de inwoners van Rotterdam op hun tellen passen?

Ja, zo lijkt het. Maar slaat de gemeente niet een beetje door als het om opvoeden gaat?

Bos, Leonie

Een tienjarige jongen speelt op straat, krijgt ruzie met een leeftijdgenote en deelt een schop uit. Tot zover niets aan de hand, want dat doen kinderen. Maar dan: de moeder van ‘het slachtoffer’ belt de politie, die ‘de dader’ een dag later kordaat in de kraag vat. Hij wordt, omringd door twee agenten, thuis afgeleverd bij zijn moeder. Of mevrouw op korte termijn met haar echtgenoot wil langskomen voor een gesprek met de opvoeddeskundige van Bureau Jeugdzorg.

Bovenstaande is niet de openingsscène van een satire over de lange arm van de overheid in een communistische heilstaat. Bovenstaande is ontleend aan de werkelijkheid in Rotterdam. Een stad in Nederland die worstelt met grote achterstanden (armoede, schooluitval, drugsgebruik, mishandeling) en zichzelf een beschavingsmissie heeft opgelegd: Rotterdam mag en zal niet langer de aanvoerder zijn van de beruchte ‘foute lijstjes’, waar oud-burgemeester Ivo Opstelten vlak na zijn aanstelling (1999) over repte.

In die stad woon en werk ik – en zijn de volgende vragen aan de orde van de dag. Hoever reikt de macht van Vadertje Staat in wat sommige bestuurskundigen niet voor niets de Proeftuin aan de Maas noemen? Wordt ‘het kijken achter de voordeur’ tot norm verheven in de tweede stad van Nederland (587.000 inwoners)? Moeten de inwoners op hun tellen passen, nu de obsessieve controlfreaks van de overheid nadrukkelijk over hun schouders meekijken?

Ja, zo lijkt het.

Afgelopen najaar: mijn jongste dochter (vijf jaar) heeft al maandenlang klachten. Om de zoveel tijd is ze ziek: koorts, uitslag in haar gezicht. Ze zit bijna vaker thuis dan op school, waardoor wij – twee werkende ouders met twee dochters – meer dan eens voor logistieke problemen worden geplaatst: wie haalt, wie brengt, wie werkt vandaag thuis? Opa en oma wonen niet om de hoek. Het hoort erbij, dat is het lot van een ouder.

De huisarts weet zich ook geen raad. Tot die keer in december. Terwijl mijn dochter aandachtig meeluistert, krijg ik van een invalarts het dwingende advies om op korte termijn samen met mijn vrouw langs te komen voor een zogeheten ‘goed gesprek’. „Ik signaleer grote spanningen binnen het gezin”, zegt ze op een toon die weinig tegenspraak duldt. Daar zou de oorzaak van de fysieke problemen van mijn dochter weleens kunnen liggen. Met andere woorden: niet zij, maar ik blijk ziek te zijn, constateert de invalarts op basis van onze eerste ontmoeting. „U maakt op mij een buitengewoon geagiteerde en gestresste indruk, meneer.”

Enigszins beschroomd, maar vooral overdonderd doe ik bij thuiskomst verslag van de diagnose. Mijn vrouw ontploft. „Zijn ze gek geworden in deze stad!?” Ja, zo vermoed ik. „Als wij niet oppassen, staan we binnenkort geregistreerd als een probleemgezin en staan de hulptroepen straks op de stoep.”

Als ik Leonard Geluk bovenstaande anekdote later vertel, lacht de CDA-wethouder van jeugd, gezin en onderwijs wat ongemakkelijk. Hij zegt het probleem te herkennen. Zelf is hij vader van drie kinderen, zijn vrouw is verpleegkundige. Uitgerekend zij beklaagt zich aan de keukentafel met enige regelmaat over de forse inbreuk die Rotterdam pleegt op de privacy van zijn burgers.

Met name hoogopgeleiden hebben volgens Geluk moeite met de ‘bemoeizorg’, die hij en de rest van het stadsbestuur hebben omarmd. „Ik hoor die zorgen aan en neem ze serieus. Ik moffel ze niet onder het tapijt. Maar tegelijkertijd constateer ik dat wij geen keuze hebben, gelet op de diepgewortelde en vaak ernstige problemen die schuilgaan achter menige voordeur in deze stad.”

Rotterdam is met zeven achterstandswijken (23 postcodegebieden) koploper op de landelijke lijst van veertig probleembuurten. Rotterdam is ook de stad die zeven jaar geleden een politieke omwenteling beleefde. Pim Fortuyns Leefbaar Rotterdam kwam aan de macht. Hardnekkige problemen werden ineens benoemd. De officieuze stadsleus ‘geen woorden maar daden’ werd nieuw leven ingeblazen: enkele probleemstraten werden letterlijk en figuurlijk schoongeveegd onder leiding van een stadsmarinier. Anno 2009 maakt Leefbaar geen deel meer uit van het college, maar de ‘niet-lullen-maar-poetsen’-mentaliteit wordt inmiddels breed gedragen. Ook door de PvdA, sinds drie jaar weer de grootste partij.

Rotterdam is daarnaast ook de stad die opvallend veel probleemjongeren telt. Burgemeester Ahmed Aboutaleb refereerde daar nog maar eens aan, toen hij twee weken geleden zijn eerste Veiligheidsindex presenteerde. Met name criminele Antillianen en Marokkanen missen sociale intelligentie, stelde hij vast. „Wanneer ze alleen zijn, zijn het schatten van jongens. Maar met z’n tweeën doen ze de meest dwaze dingen.” Met andere woorden: hulp en actie zijn geboden.

Rotterdam is bovendien de stad van het Maasmeisje: de 12-jarige Gessica. Haar in stukken gesneden lichaam werd drie jaar geleden gevonden in het water van de Nieuwe Maas. Gessica was bekend bij tal van hulpinstanties, zonder dat zij dat van elkaar wisten. Van onderlinge informatie-uitwisseling was dan ook geen sprake.

Sindsdien staan, aldus critici, alle seinen op rood in het stadhuis aan de Coolsingel. Of op groen, zoals de voorstanders van de ‘dwanghulpindustrie’ stellen. Hoe dan ook: aangemoedigd door de twee grootste partijen in de raad, de PvdA en Leefbaar Rotterdam, lijkt het stadsbestuur vrijwel niets meer te dol. Opvoedcontracten, huisverboden, avondklok, interventieteams, een verplichte meldcode huiselijk geweld, drugstesten op middelbare scholen, preventief fouilleren, gedwongen schuldhulpverlening, etnische registratie – Rotterdam grossiert in vrijheidsbeperkende maatregelen, en is daar nog trots op ook.

De stad handelt conform de tijdgeest. Vanuit Den Haag roept minister André Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) immers op tot meer kuisheid in de discussie over „de losgeslagen seksmoraal van de jeugd”. Zijn collega Ab Klink (Volksgezondheid, CDA) verbiedt burgers een sigaret te roken in het café. In de kennelijke veronderstelling dat onder druk alles vloeibaar wordt, en de samenleving in hoge mate maakbaar is.

Hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen van de Universiteit van Tilburg stelde vorig jaar in een vraaggesprek met NRC Handelsblad vast dat politiek en bestuurlijk Nederland aan „het bizarre waanidee lijdt dat fors optreden aan de preventieve kant slachtoffers zou kunnen voorkomen”. Rotterdam mag zich de kampioen van deze „verstatelijkte bemoeizucht” noemen. En nee, dat is geen compliment. Volgens Frissen is het middel erger dan de kwaal die Rotterdam zegt te bestrijden.

Ik begrijp zijn opvatting inmiddels, maar signaleer ook dat Leonard Geluk een punt heeft als hij stelt dat niets doen geen optie (meer) is. Met de armen over elkaar geslagen toezien hoe de stad verder afglijdt, zou het college – terecht – het verwijt opleveren van bestuurlijke onverschilligheid.

Maar waar ligt de grens? Nu al worden burgers aangemoedigd melding te maken van mogelijke misstanden in hun nabije omgeving. Op het schoolplein zongen wij vroeger op jennende toon ‘klikspaan boterspaan’, als een klasgenoot een geheimpje had verklapt aan de leraar. Mijn oudste dochter (acht jaar) kent het rijmpje ook. Gelukkig maar.

En waarom word ik geacht allerlei vragenlijstjes invullen over (de opvoeding van) mijn kinderen? Geen stad in Nederland die zo nauwlettend toeziet op ‘de lichamelijke en psychische gezondheid’ van haar jeugd (0 tot en met 18 jaar) als Rotterdam met zijn Jeugdmonitor. Vertrouwt de stad zijn burgers nog wel? En wat is het nut van vragen als: vindt uw kind spelletjes leuk, bijvoorbeeld kiekeboe? Levert een ‘nee’ een aantekening op?

Wat gebeurt er überhaupt met al die informatie? Wordt die, samen met het oordeel van een invalhuisarts, door een ambtenaar ‘vakkundig’ opgeslagen in dat beroemde elektronische kinddossier?

Rotterdam? Meer vragen dan antwoorden.