In Brussel vervloeit werkelijkheid met theater

Het Kunstenfestivaldesarts 2009 speelt zich drie weken lang af in het hart van Brussel. Toeschouwers worden deelnemers en voyeurs. Pleinen, kerken en containers zijn de schouwburgen van nu.

Pierre Droulers verbindt in zijn voorstelling 'Walk Talk Chalk' tekst, beweging en beeldende kunst. (Foto Filip Vanzieleghem) Vanzieleghem, Filip

Een stem dirigeert ons over het Brusselse Place du Jeu de Balle, ook Vossenplein genoemd. Het lijkt of ze alleen tegen mij praat, maar ik deel het plein in de volkswijk de Marollen met een kleine tweehonderd bezoekers: we zijn onderdeel van de theatervoorstelling Domini Públic van de Catalaanse regisseur Roger Bernat (1968).

Met enige fantasie is het Vossenplein te beschouwen als een theaterpodium. Het speelveld is omsloten door een hoge huizenrij, die iets weg heeft van coulissen. Bernat bracht de voorstelling eerder op een vergelijkbare plek in Barcelona. Borden geven aan dat het plein in twee helften is verdeeld, links en rechts. De vrouwenstem geeft opdrachten: „Wie van u vandaag geen krant heeft gelezen, doet vijf stappen naar rechts.” Of: „Gaat u naar het theater om uzelf te vermaken? Verdwijnt u dan helemaal naar de rand van het plein, u bent verstoten.” En: „Heeft iemand van u eens iemand begraven, die jonger is dan uzelf? Gaat u dan naar links.”

Tientallen vragen vuurt de stem in ieders oor af. Sommige zijn schokkend, zoals die laatste. Ik kijk om me heen: de overgrote meerderheid van de deelnemers waaiert naar rechts uit. Meteen schat ik de leeftijd: gemiddeld rond de veertig, vijfenveertig jaar.

In Bernats Domini Públic zijn de toeschouwers tegelijk deelnemers en voyeurs. De stem stuurt ons over het hele plein, er ontstaan relaties tussen bezoekers, ik moet wijzen naar een vrouw die ik niet ken, alleen al omdat ik vermoed dat ze van „buiten België” komt. En ook deze opdracht is confronterend. Wij, de toeschouwers, zijn de tekstloze acteurs in Bernats theater; we zijn ongeschoold en zo wil hij dat. Hij vindt op die wijze een authenticiteit die volgens hem in het toneel vaak ver te zoeken is.

Domini Públic is een van de openingsvoorstellingen van het Kunstenfestivaldesarts dat jaarlijks plaatsvindt in Brussel, verspreid over ongewone locaties. Het Vossenplein is niet eens de vreemdste; ook een verwaarloosde container die dienst doet als woning, een barokkerk en een elektriciteitscentrale bieden plaats aan theatermakers en toeschouwers.

Sinds 2007 is Christophe Slagmuylder artistiek leider van het het festival, dat hij een „kosmopolitische allure” wil geven. Slagmuylder is verantwoordelijk voor 35 dans- en theatervoorstellingen, waaronder 17 wereldpremières. Hij heeft kunstenaars uit West-Europa, India en Brazilië naar Brussel gehaald. Slagmuylder: „Meestal zendt een land als India traditionele voorstellingen naar het westen, voorstellingen die westerlingen als ‘exotisch’ ervaren, maar daar pas ik voor. Ik verwacht dat een kunstenaars iets te zeggen heeft over de huidige tijd. De laatste maanden zijn de grenzen van de vrijemarkteconomie bereikt. Er ontstond crisis en paniek. Wat bleek? De wereldbanken, maar ook particulieren, geloofden heilig in geld dat niet bestond; virtueel geld, plastic geld. Iedereen vraagt zich af wat in deze wereld nog geloofwaardig en reëel is. Het theater is het mooiste medium om antwoord te geven op die vraag: elke regisseur zoekt altijd naar de balans tussen werkelijk en fictief”.

De intens gespeelde, ruim twee uur durende Hongaarse voorstelling Frankenstein-Project door het gezelschap Theatre uit Boedapest voldoet aan Slagmuylders norm. Regisseur Kornél Mundruczó, die met zijn poëtische film Delta (2008) de Grote Prijs van de Internationale Filmpers in Cannes won, dwingt de toeschouwer in elke scène zich af te vragen: „Is dit in scène gezet of is dit echt?” Uit Hongarije heeft de groep een grote containerwoning meegenomen. Hierin voltrekt zich het armoedige bestaan van een vrouw, die haar zoon meteen na geboorte heeft opgesloten. Het kind ontvlucht en pleegt een moord op een meisje, daarna op een filmregisseur die hem als een echte, van de straat geraapte held wil casten. De filmregisseur meent een natuurtalent voor de camera te hebben. In bevlogen bewoordingen legt de regisseur, gewapend met de camera, uit waarom hij deze jongeman zo geweldig vindt: „Wij zoeken mensen met een lot, niet met een klemtoon; wij zoeken mensen met een passie, niet met loze gebaartjes.” Net zoals bij de film Delta tast de toeschouwer steeds meer in het duister over de waarheid van wat hij ziet. De jongeman die moordt oogt onschuldig. Dat zijn moeder hem verstoot, lijkt volkomen geloofwaardig. Al zitten wij in de wooncontainer op afstand van het spel, het is onmogelijk distantie te behouden. We zijn net als dieven die het huis van onbekenden zijn binnengedrongen, en daar getuige zijn van een familiedrama. Mundruczó (1975) laat de toeschouwers ontheemd achter; hoe echt kan theater zijn? Zelfs toneelbloed dat de moordenaar op het lichaam van zijn slachtoffers achterlaat, zaait verwarring.

Niet veel verder staat de barokke kapel Les Brigittines waar de uit Mumbai afkomstige performer, danser en tekenaar Nikhil Chopra (1974) zijn Memory Drawing uitvoert. Vijf dagen lang woont, slaapt en leeft hij in de kapel. Hij dwaalt door de stad en maakt tekeningen, die als zwarte fresco’s de indrukwekkende gewelven sieren. Als ik de kapel betreed, slaapt de performer. Twee uur later slaapt hij nog steeds, liggend tussen omwoelde lakens. De bezoekers kijken, staan stil, fluisteren. De performer slaapt echt, dit is geen toneelkunstje. Hij doet niet alsof, evenmin als de indrukwekkende Hongaarse acteurs dat deden. Het Kunstenfestivaldesarts zorgt ervoor dat de echte en verzonnen werkelijkheid nauwelijks van elkaar verschillen.