Euroministers stoïcijns over krimp

De ministers van Financiën van de eurolanden kwamen gisteren bijeen in relatieve rust, ondanks alarmerende woorden van de voorzitter.

Het lijkt wel alsof slecht nieuws en rode cijfers wennen. Op hun maandelijkse vergadering in Brussel, gisteren en vandaag, wezen de Europese ministers van Financiën erop dat we sinds 1945 niet zo’n economische krimp hebben gekend. Maar ze blijven er kalm onder. Of zijn ze murw? De bijeenkomst van de eurogroep, gevormd door ministers van landen met de euro, duurde gisteravond vrij kort. Er was nauwelijks pers, buiten was geen politie. Laat staan demonstranten.

Maar niemand weet hoe lang het rustig blijft. Gisteravond vatte de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker, voorzitter van de eurogroep, de prognoses samen die de Europese Commissie eerder die dag bekend had gemaakt: krimp van 4 procent in 2009 in de EU, werkloosheid die kan oplopen tot 11,5 procent volgend jaar. Spanje: 20 procent werklozen. Ierland: een begrotingstekort van 15 procent volgend jaar, 16 procent van de beroepsbevolking zonder werk. De wereldhandel is dit jaar al 13 procent teruggelopen. Dat raakte binnen de EU exportland Duitsland het hardst. Daar krimpt de economie meer dan 5 procent. Juncker: „Ik ben zeer ongerustHier dreigt een sociale crisis. Die kan explosief zijn. Ik ben bang dat veel politici de ernst hiervan onderschatten.” De christen-democraat uit Luxemburg, dat zijn verkiezingen tegelijk met de Europese organiseert, riep bedrijven op „massale, vroegtijdige ontslagen” te vermijden.

Vervolg Europa: pagina 15

‘Top’ wekt verwachtingen, dus Praag heet geen ‘top’

Het was, zei hij, „een kwestie van sociale verantwoordelijkheid” om medewerkers in elk geval deels aan het werk te houden. In een land als Frankrijk, waar al meerdere malen heftig is gedemonstreerd, hebben vakbonden alweer twee manifestaties aangekondigd.

In Praag, waar demonstranten vorige week slaags raakten met de politie, zou later deze week een top over Europese werkgelegenheid plaatsvinden. Maar omdat ‘toppen’ met regeringsleiders politieke verwachtingen wekken die – zeker op een terrein waar Europa nauwelijks bevoegdheden heeft – moeilijk zijn waar te maken, werd de status van de bijeenkomst op verzoek van Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië verlaagd. Nu zijn het donderdag vooral vertegenwoordigers van de Europese Commissie, het Tsjechische EU-voorzitterschap en sociale partners (vakbonden, werkgevers). En wellicht nog een paar ministers.

Naast Juncker, die naar verluidt na de verkiezingen het voorzitterschap van de eurogroep aan een ander wil overlaten, zat eurocommissaris van monetaire zaken Joaquín Almunia. Die ging niet op mogelijke sociale onrust in. Juncker en hij hadden de taken goed verdeeld. Almunia, minister geweest in Spanje en geldend als een van de meest capabele commissarissen (hij zou een tweede termijn overwegen), legde voor de tweede keer die dag uit hoe de nieuwe economische prognoses geïnterpreteerd moeten worden.

Dat is ondankbaar werk. Almunia hoeft zijn mond maar open te doen of financiële markten reageren. „Wat politici zeggen over de economie beïnvloedt het vervolg”, schrijft Liaquat Ahamed in Lords of Finance, een recent boek over centrale bankiers tijdens de Grote Depressie. „Daarom rest hun weinig meer dan haast noodlottig positieve dingen te zeggen die niet serieus genomen moeten worden.”

De presentatie van de prognoses, gebaseerd op cijfers die de 27 landen zelf geregeld aanleveren, was dan ook minutieus voorbereid door Almunia’s woordvoerder. Zij was ’s avonds nog bezig de pers uit te leggen waarom de krimp groter was dan men in januari dacht, en dat de lading van bottoming out, het sleutelbegrip van Almunia’s betoog, niet per se negatief was. „De vrije val van de Europese economieën is voorbij”, zei hij. „We zijn op de bodem aangeland.” Maar hoe lang we op die bodem blijven, die mede is aangelegd door het Europese systeem van sociale vangnetten, kon Almunia niet zeggen. De malaise kan een poos duren, maar veel dieper zou ze niet worden. De financiële markten zijn fragiel, maar lijken te stabiliseren. Andere indicatoren wijzen niet omhoog (consumentenvertrouwen en industriële productie in sommige landen, bijvoorbeeld), maar kelderen kennelijk niet verder. Economische groei is er pas in 2011 weer.

De vraag is nu of nieuwe stimuleringspakketten nodig zijn om de economieën een extra zwengel te geven. Vakbonden en de Europese socialisten denken, ongetwijfeld met het oog op dezelfde sociale onrust waar Juncker naar verwees, van wel. Nee, antwoordden de eurogroep-ministers in Brussel: eerst afwachten wat de huidige injecties in het bankwezen en de economie, totaal maar liefst 5 procent van het bbp van de EU in 2009/2010, voor effect hebben. Minister Wouter Bos zei: „Laten we de resultaten van het eerste herstelplan afwachten in plaats van belastingbetalers te laten opdraaien voor een tweede golf van herstelplannen.”

Daarbij moet elk land – Almunia en Juncker hamerden daarop – eerst zorgen dat de banken eindelijk van hun risicovolle kredieten af komen. Zolang die de kredietkanalen blijven verstoppen (tussen banken onderling en van banken naar klanten), hebben nieuwe stimuleringsmaatregelen weinig zin. Een derde reden om voorzichtig te zijn is dat dertien van de zestien eurolanden intussen hogere begrotingstekorten hebben dan de 3 procent die onderling, in het Stabiliteitspact, was afgesproken. De oorzaak is minder inkomsten voor de staat, tegenover extra uitgaven. Als er één ding zeker is na deze ministersvergadering, is het wel dit: in 27 landen wordt de broekriem verder aangetrokken.