Voor appel noch ei

Elke zaterdag werd de veiling in Woerden van binnen verbouwd om er ruimte te maken voor een vloer waarop kon worden gevolleybald. Valbovol, begonnen als scholierenclub, speelde op het hoogste niveau. De vrouwen, die toen nog dames werden genoemd, maar vooral meiden waren, werden zelfs landskampioen.

Achter het publiek dienden hoog opgestapelde veilingkisten als decor. Maar de dames verdienden geen cent met hun sport. Zij deden het met de onweerstaanbare blijdschap die het behalen van een titel kan veroorzaken en met het avontuur dat volgde: het spelen van Europa-Cupwedstrijden. Moesten ze soms wel vrije dagen regelen op hun werk.

Dat was omstreeks 1970. Daarna ontwikkelde volleybal zich in Nederland tot een echte topsport. Het veilingmodel maakte plaats voor het Bankrasmodel. Het summum was de gouden medaille die de mannen in 1996 behaalden bij de Olympische Spelen in Atlanta. Dankzij een zeldzame combinatie van talent, doorzettingsvermogen en professionalisme.

Het is vermoedelijk de grootste sportprestatie in de geschiedenis die een Nederlands team heeft geleverd, al zullen nu bijvoorbeeld roeiers of waterpolosters roepen dat je geen appels met peren kunt vergelijken.

Langzaam ging het daarna bergafwaarts. En in 2009 ging landskampioen Nesselande (mannen) failliet, net als Omniworld, en raakt bij de vrouwen de nummer één, Martinus, zijn hoofdsponsor kwijt. Hiermee is nog lang niet al het leed opgesomd. Het is crisis, buiten en binnen het volleybal.

Oud-international Olof van der Meulen vindt dat de clubs minder moeten betalen aan de spelers en Frits Suèr, die er destijds voor zorgde dat Nationale Nederlanden het nationale volleybal van financiële steun verzekerde, hoopt op jongens en meisjes die hun droom willen verwezenlijken en wie het niet om geld gaat.

We zijn terug bij af. Bij de realiteit. Nederland loopt niet warm voor zaalsporten. We voetballen, wielrennen, tennissen, schaatsen, hockeyen en gaan alleen naar volleybal of handbal als zoonlief of de buurvrouw meespeelt.

John Kroon