Vlotte vernietiging

Een boek over de Tweede Wereldoorlog waar ik altijd weer met stille verbijstering in kan lezen, is Neurenberg-gesprekken. Het bevat de interviews die de Amerikaanse psychiater Leon Goldensohn een aantal prominente nazi’s afnam tijdens de Neurenbergse processen in 1946. Goldensohn zocht hen in zijn functie van gevangenispsychiater op.

Doorgaans wist hij zijn verontwaardiging te bedwingen, maar hij vroeg wel tot op het bot door naar de motieven van de dader en zijn al of niet aanwezige schuldgevoelens. Een van de meest onthutsende gesprekken is dat met Rudolf Höss, vier jaar lang commandant van het vernietigingskamp Auschwitz. Goldensohn vraagt hem hoeveel mensen er in zijn tijd in Auschwitz gedood zijn. „Het precieze aantal valt niet te bepalen”, zegt Höss, „ik schat zo’n tweeënhalf miljoen Joden.” (Latere schattingen kwamen op 1,3 miljoen doden uit). „Wat vindt u daarvan?” vraagt Goldensohn. ‘Höss keek wezenloos en apathisch. Ik herhaalde mijn vraag en vroeg hem of hij goedkeurde wat er in Auschwitz gebeurde. „Ik kreeg persoonlijk bevel van Himmler”. „Heb u ooit geprotesteerd?” „Dat kon niet. Ik moest de redenen die Himmler me gaf accepteren.” „U vindt met andere woorden dat het gerechtvaardigd was tweeënhalf miljoen mannen, vrouwen en kinderen te vermoorden?” „Niet gerechtvaardigd; maar Himmler zei tegen mij dat, als op dat moment de Joden niet werden uitgeroeid, het Duitse volk voorgoed zou worden uitgeroeid door de Joden.” „Hoe konden de Joden de Duitsers uitroeien?” „Dat weet ik niet, dat zei Himmler. Himmler legde het niet uit.” ’ Goldensohn vraagt hem of hij er enig schuldgevoel over heeft. „Jawel”, zegt Höss, „nu denk ik uiteraard dat het niet goed was.” Het zich verschuilen achter Hitler en Himmler, het ontbreken van oprechte schuldgevoelens – Goldensohn moest het ook bij de andere daders voortdurend aanhoren. Hij had verwacht geesteszieke mannen aan te treffen, pathologische moordenaars, maar de meesten bleken ‘normale burgers’. Wat bij Höss opvalt, is zijn onverstoorbare bereidwilligheid om op alle vragen uitvoerig antwoord te geven. Hij vertelt over zijn ‘heel fijne, aangename jeugd’ die hij bij zijn ‘zeer godsdienstige’ katholieke ouders heeft doorgebracht, over zijn gelukkige huwelijk, maar ook tot in detail over de uitroeiingsmachine die hij in Auschwitz opzette. „Toen de zaak op gang was”, legde Höss uit, „kwamen er dagelijks twee of drie transporten, elk met zo’n tweeduizend mensen. Dat waren de moeilijkste tijden want die moesten we meteen vernietigen en de verbrandingsfaciliteiten konden zelfs met de nieuwe crematoria geen gelijke tred houden met de vernietiging.” Goldensohn vraagt hem of er soms paniek heerste onder de mensen vlak voor ze werden vermoord. „Soms wel”, zegt Höss, „maar we voerden het vlotjes uit, steeds eleganter in de loop der tijd. De mannen werden altijd in een aparte ruimte vernietigd, en de vrouwen en kinderen samen in een ruimte.” Goldensohn vraagt hem of hij weleens last van nachtmerries heeft. „Nooit”, zegt Höss. En voelde hij zich nooit eens van zijn stuk gebracht? „Ik begrijpt niet wat u bedoelt”, zegt Höss, „want ik heb zelf niemand gedood. Ik was slechts de leider van het vernietigingsprogramma in Auschwitz.”

Höss werd ter dood veroordeeld door een Pools gerechtshof en opgehangen in kamp Auschwitz.