Verkeerde voorspelling toch zinvol

Ook al zitten de ramingen van het CPB er vaak naast, toch zijn ze nuttig. Politiek en media zouden er wel wat minder gewicht aan moeten toekennen, meent

Marcel Canoy.

Economen kunnen niet voorspellen. Toch geeft de kritiek op het Centraal Planbureau (CPB) door Henk-Jan van Alphen (Opiniepagina 29 april) geen pas. De voorspellingen van het Planbureau blijven een nuttige rol vervullen bij de begrotingsvoorbereiding. De voorspellingen worden echter door politiek en media nodeloos opgeblazen.

Toen ik een kleine vijftien jaar geleden solliciteerde bij het Centraal Planbureau besloot ik een stelling uit mijn proefschrift maar even te verzwijgen. De stelling luidde: „Het enige verschil tussen voorspellingen van economen en waarzeggers is dat economen beter kunnen uitleggen waarom ze het bij het verkeerde eind hadden.” De stelling zou wellicht gevoelig kunnen liggen bij de voorspeltijgers uit Scheveningen, dacht ik. Ik moest weer even aan die episode terugdenken bij het lezen van een aantal stukken op de Opiniepagina over de voorspellingen van het CPB.

Want het is weer prijsschieten dezer dagen. De normaal zo scherpe columnist Luuk van Middelaar vindt schalks dat het CPB ‘nattevingert’ en dat het louter denkt in termen van continuïteit en voorspelbaarheid.

Ook Henk-Jan van Alphen van Futureconsult meent dat het CPB er altijd naast zit, dat het zich zijn machtige positie laat aanleunen, en dat Den Haag maar beter op economische scenario’s in plaats van voorspellingen kan bouwen.

Het is prima om discussies te voeren over het nut en onnut van economische voorspellingen, zeker in deze onzekere tijden, of over de rol van het Centraal Planbureau, dat op onderdelen van zijn werk een soort monopoliepositie heeft. Maar liever met argumenten die hout snijden.

Inderdaad, economen kunnen niet voorspellen, althans niet in de zin dat het waarschijnlijk is dat voorspellingen over een jaar uitkomen. En dat geldt nog sterker in turbulente tijden. De reden is simpel: terroristische aanslagen, een kredietcrisis, tsunami’s, een varkensgriep – niemand weet wanneer die opdoemen en in welke mate. En als je het wel zou weten, zou je de beurs kunnen voorspellen en op de Bahama’s zitten (Amerikanen zeggen: ‘If you are so smart why aren’t you rich?’).

Anders dan de scribenten beweren, is het CPB er altijd open over dat de voorspellingen grote onzekerheden bevatten. Als zij zich de moeite hadden getroost, hadden zij in het Centraal Economisch Plan (CEP) kunnen lezen hoe het CPB omgaat met onzekerheidsmarges of hoe de CPB-voorspellingen scoren ten opzichte van andere voorspellingen. Ook kent elk CEP verschillende onzekerheidsvarianten.

Blijft de vraag waarom economen voorspellen, als ze zelf weten dat ze het niet kunnen. Erwin Kroll waagt zich immers ook niet aan het weer van volgend jaar. De reden is dat onze regering jaarlijks plannen moet maken. Om te weten wat zij kan uitgeven moet zij een begroting opstellen. Dat doet zij op basis van voorspellingen van het CPB. Zij kan daarvoor ook haar vinger in de lucht steken, de voorspelling van vorig jaar als benadering nemen of zelf iets slims bedenken. Ze zou het statistisch wellicht niet eens slechter doen.

Er zijn echter twee redenen waarom dat niet verstandig is. Ten eerste zijn de voorspellingen van het CPB op macromodellen gebaseerd. Dat maakt het mogelijk om beleidswijzigingen of beleidsvarianten door te rekenen, een groot voordeel dat waarzeggers niet hebben. Ten tweede verhindert het CPB dat de regering opportunistisch handelt door bijvoorbeeld te optimistisch te zijn of beleidsmaatregelen te rooskleurig voor te stellen. Veel meer of minder is het niet. Niet iets om je erg druk over te maken, lijkt me.

Het vervelende is dat de voorspellingen van het CPB onveranderlijk als quasiwaarheden worden geponeerd. De ramingen krijgen daardoor veel te veel gewicht, waardoor over het CPB het aura krijgt van een orakel (als het het een keer goed heeft), of van een charlatan met een glazen bol (als het mis zit).

Het CPB kan zelf ook nog actiever zijn in het relativeren. Zo snapte ik niets van de grafstemming op de gecombineerde persconferentie van CPB-directeur Teulings en premier Balkenende na de raming van min 3,5 procent in maart 2009. Terwijl het ene na het andere kredietlijk uit de kast viel, zou het na een CPB-persconferentie plotseling duidelijk zijn dat we toch echt in een crisis zaten. En de journalisten maar pennen. Dat had echt wel een onsje minder gekund.

Periodiek doemt de vraag op of we niet met meer bureaus moeten gaan ramen. Het monopolie van het CPB maakt zenuwachtig. Meestal wordt dan naar het buitenland gewezen.

Het grappige is dat ze in Duitsland (waar een stuk of vijf bureaus voortdurend ruziën over de cijfers) juist jaloers naar Nederland kijken. Het heeft namelijk nogal wat voordelen om de officiële ramingen door een apolitiek bureau met gezag uit te laten voeren. Het verhindert forumshoppen (‘deze raming komt mij toch iets beter uit’) en zorgt voor eenduidigheid in het politieke debat.

Om het CPB scherp te houden, wordt het bureau periodiek aan een internationale toets onderworpen. Als men het CPB al strenger wenst te controleren, zou aan die toets meer gewicht kunnen worden toegekend of kan de raad van toezicht (waar het wel eens gezapig aan toegaat) wat steviger opgetuigd kunnen worden.

Het zou voor alle partijen beter zijn om het CPB en zijn ramingen te gebruiken waar ze voor zijn bedoeld: als ondersteuning voor beleids- en begrotingsvoorbereiding. Niets meer en niets minder. Laat de rest maar zitten, want aan stemmingmakerij hebben we deze dagen al genoeg.

Marcel Canoy is chief economist van Ecorys en hoogleraar zorgeconomie bij de Universiteit Tilburg. Van 1996-2005 was Canoy werkzaam bij het CPB.

Lees het artikel van Van Alphen na op nrc.nl/opinie

    • Marcel Canoy