Respijt door een schedelmeting

Neurobioloog Dick Swaab was tot 2006 directeur van het Herseninstituut. Datzelfde instituut leverde in de oorlog een nepschedelmeting voor zijn vader.

15 mei 1942: Leo Swaab en paranimfen met Davidsster, bij zijn promotie aan de UvA.

In de oorlog kreeg mijn familie voor de eerste maal met het Herseninstituut te maken, al kwam ik daar pas achter toen ik er al tien jaar werkte. Amsterdam werd, in de tijd dat het Nederlands Centraal Instituut voor Hersenonderzoek in 1909 werd opgericht door de Internationale Brain Commission, beschouwd als behorend tot ‘de beschaafde wereld’. Hier werd een van de Centrale Instituten voor Hersenonderzoek gevestigd. De eerste directeur was prof. dr C.U. Ariëns Kappers. De beschaving werd echter al snel aan haar eind geholpen toen tijdens de Tweede Wereldoorlog Nederland bezet werd door Nazi-Duitsland en de deportatie van Joden uit Nederland begon. Men probeerde aan deportatie te ontkomen, onder meer door met behulp van een antropologisch rapport te ‘bewijzen’ dat men geen Jood was. Al snel werd duidelijk dat Kappers zo’n rapport kon leveren. Hij had al in 1933 in een interview gesteld dat hij het onderscheid ‘Ariër’ als ras onverdedigbaar achtte. Toen steeds meer mensen zijn hulp inriepen, kreeg Kappers hulp van dr Arie de Froe, die antropologisch onderzoek deed. Zijn ervaring met het meten van schedels en lichaamsmaten kwam goed van pas. Ze hebben samen zo’n duizend tot tweeduizend valse antropologische rapporten opgesteld waardoor velen de tijd kregen om onder te duiken. Naar schatting driehonderd mensen hebben ze zo van de Holocaust gered. Het is verbazingwekkend dat het onderzoek en het opstellen van deze certificaten gebeurde in het Anatomisch laboratorium, waar het Herseninstituut toen gehuisvest was. De gang zat vol met tientallen mensen met een ster op, die zo’n certificaat wilden, terwijl in het gebouw ernaast, het Museum voor de Tropen, het hoofdkwartier van de Grüne Polizei gevestigd was. Ook mijn vader, Leo Swaab, vrouwenarts, kreeg zo’n certificaat van Ariëns Kappers. Decennia later riep mijn vader zo nu en dan nog met een grijns op zijn gezicht dat hij „Ein gut proportionierter Süd-Ariër” was, wat zoals ik pas veel later begreep de formele conclusie van het antropologische fake onderzoek van Kappers was geweest. Door dit certificaat en vervolgens met valse papieren kon het wegvoeren van mijn vader door de Duitsers worden uitgesteld en dat van zijn ouders worden voorkomen. Dit lukte helaas niet voor zijn broer, schoonzus en hun kind die in de kampen vermoord werden. In 1941 dook mijn vader onder, meestal in zijn eigen huis. Intussen werkte hij in versneld tempo aan zijn proefschrift. Mijn niet-Joodse moeder werkte als operatiezuster in het Antoni van Leeuwenhoek Huis en haalde bovendien, soms enkele malen per dag, op de fiets, in haar uniform, boeken en tijdschriften voor zijn proefschrift in de universiteitsbibliotheek. Gedurende de tijd dat zij weg was lag mijn vader in zijn schuilplaats tussen plafond en vloer, waar hij met opzij gedraaid hoofd net tussen paste. Op 15 mei 1942 promoveerde hij aan de UvA in de senaatskamer; de aula was voor Joden verboden. Slechts zes toehoorders waren toegestaan. Toestemming voor de promotie werd aan de Duitsers niet gevraagd. Op een foto die mij nog altijd de koude rillingen bezorgt, staan hij en zijn paranimfen met Davidsster op het rokkostuum te luisteren naar het persoonlijke woord van de promotor. Prof. Kappers was op 18 september 1942 om 4 uur ’s middags de promotor van de laatste Joodse promovendus in Amsterdam, de latere neuroloog David Moffie, die de oorlog overleefde, en met wie ik later nog wel in en buiten het Herseninstituut, over de anatomie van de hypothalamus van de mens sprak.

De geschiedenis van de schedelmetingen in de jaren veertig laat zien dat ieder onderzoek gebruikt en misbruikt kan worden. Voor mij komt daar nog de wonderlijke conclusie bij dat ik mijn bestaan te danken heb aan het Herseninstituut, het instituut waar ik later directeur van werd.