Open en vol gedistingeerde hartstocht

Ton Lutz, zondagochtend op 89-jarige leeftijd overleden, werd geëerd als „de toneelvader des vaderlands.”

Toneelregisseur en acteur Ton Lutz bij zijn pensionering in 1984. (Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen) Velzen, Leo van

Ton Lutz was de man in wie de traditie en de vernieuwing van het naoorlogse Nederlandse toneel op wonderbaarlijk harmonieuze wijze waren verenigd. Als acteur, regisseur, toneelleider en docent liet hij veel sporen na. Minstens drie toneelgeneraties groeiden op met de inzichten die hij zo kernachtig wist te formuleren. „Niet invoelen of inleven, maar indenken”, luidde zijn vaak herhaalde advies aan acteurs.

Lutz, die zondagochtend na een kort ziekbed in een ziekenhuis in zijn woonplaats Amsterdam is overleden, was de denker van het toneel – de man die al naar het innerlijk van de personages zocht in de tijd dat publiek en kritiek zich nog vooral lieten verblinden door de uiterlijkheden.

Als telg uit een muzikaal gezin was Ton Lutz weliswaar al vanaf zijn twaalfde een verwoed amateur toneelspeler, maar omdat hij ook aardige opstellen kon schrijven, begon hij te werken als leerling-journalist bij de Nieuwe Delftsche Courant. Nadat die krant zichzelf in het eerste oorlogsjaar ophief, kwam de 21-jarige Lutz terecht op de persdienst van de Nederlandsche Unie, tot ook die onder Duitse druk werd ontbonden. Een toevallige ontmoeting had hem toen echter al in contact gebracht met het beroepstoneel: ,,En ik wist meteen dat ik daar bij wilde horen.”

Zo debuteerde Lutz in 1941 bij de Vereenigde Haagsche Spelers – en toen trof hem voor de derde keer hetzelfde lot. Pierre Balledux, die het gezelschap leidde, behoorde tot de zeer kleine groep die ermee stopte toen men zich bij de Kultuurkamer moest aanmelden. Lutz bemachtigde een baantje als ambtenaar, ging naar de toneelschool, speelde clandestiene voorstellingen (Vieilles chansons Françaises en monologen uit Hamlet), dook onder en zat enige tijd gevangen wegens verzetswerk. Pas na de bevrijding kon zijn toneelcarrière echt beginnen.

Zijn eerste onderscheiding kwam al in 1947, toen Lutz samen met vijf anderen de toenmalige 5 Mei-prijs voor getalenteerde jonge toneelspelers in ontvangst nam. Volgens het Algemeen Handelsblad blonk hij uit in ,,beschaafd en beheerst spel”. Nog geen jaar later volgde zijn eerste regie. En sinds hij in 1950 bij de Nederlandse Comedie ging werken, heeft hij beide activiteiten altijd gecombineerd. Hij speelde met distantie en regisseerde als een docent, met extra aandacht voor de tekstbehandeling van de acteurs en de integriteit van hun spel. Hij was er trots op, dat de gerenommeerde actrice Ank van der Moer onder zijn regie haar routine van zich kon afschudden, en hem toen een kaartje stuurde met de woorden: „Je hebt mij aan mezelf teruggegeven”. Geen wonder, dat ook de Amsterdamse toneelschool al snel een beroep op hem deed. Meer dan vijftig jaar heeft hij daar gedoceerd.

Grote invloed heeft Ton Lutz bovendien uitgeoefend als directielid van grote gezelschappen als het Rotterdams Toneel (vanaf 1955), de Nederlandse Comedie, Globe en het Publiekstheater. ,,Als het toneel de maskerade van de werkelijkheid niet ontmaskert, heeft het geen sociale functie”, luidde zijn credo. Hij was een dwingend – en niet altijd even tactvol – toneelleider, met scherp omschreven opvattingen over de artistieke koers. Een belangrijk wapenfeit was de door hem geregisseerde wereldpremière van Een bruid in de morgen van Hugo Claus, in 1955 bij het Rotterdams Toneel. Het stuk zwierf al enige tijd ongespeeld door Nederland en Vlaanderen, tot de actrice Ina van Faassen het aan Lutz voorlegde. Hij nam het onmiddellijk op het repertoire, omdat hij begeesterd was door het nieuwe geluid van de jonge toneelschrijver en diens dramatische instinct. De zes volgende stukken die Hugo Claus schreef, werden eveneens door Ton Lutz geregisseerd.

Maar toen het – volgens de subsidie-eisen van die dagen – tijd werd de moderne en klassieke toneelliteratuur af te wisselen met iets publieksvriendelijkers, wist Lutz ook aan die verplichting op niveau te voldoen. Zo introduceerde hij in 1961 bij het Rotterdams Toneel de musical Irma la douce, en speelde daarin zelf de vertellersrol toen de desbetreffende acteur ziek was. Verder is zijn komediantenkant nogal onderbelicht gebleven. In het lichtvoetige genre was hij zelden te zien. Wel heeft hij, met zijn licht-hese timbre en onderzoekende spreekstijl, indruk gemaakt als voordrachtskunstenaar. Zijn laatste grote onderneming op dat gebied was de volledige Odysseia, waarmee hij in 1994 drie weken lang dagelijks op de radio te horen was.

Als regisseur werd Lutz sterk beïnvloed door de weemoedige, psychologiserende Tsjechov-voorstellingen die zijn Russische leermeester Peter Sjarof in de jaren vijftig en zestig in Nederland maakte. Nadrukkelijk verwees Lutz naar die traditie, toen hij in 1969 bij toneelgroep Globe een vernieuwde Oom Wanja regisseerde. „Ton, mache neuer Tschechows”, zou Sjarof vlak voor zijn dood in zijn primitieve Duits tegen zijn jonge collega hebben gezegd. ,,Ich bin alt, du bist jung”. Lutz speelde zelf de titelrol en zijn vrouw Ann Hasekamp was Jelena.

Dat hij betrekkelijk ongemoeid is gelaten door de toneelrebellie van de Actie Tomaat, die een jaar later uitbrak, had ongetwijfeld te maken met die evolutionaire instelling. Hij stond open voor alles wat hem interessant leek. Zo had hij al in 1966, als gast bij het baanbrekende gezelschap Studio, een hoofdrol gespeeld in De architect en de keizer van Assyrië van Arrabal. Die leverde hem zijn eerste Louis d’Or op.

Onomwonden omschreef Lutz de tomatengooiers destijds als ,,vlerken, omdat ze niets te bieden hebben als alternatief”. Maar meteen daarna zei hij, als waarschuwing aan de toneelwereld: ,,Al moet je er verdomd attent op zijn om de stukken uit hun lijst te halen en er weer levend toneel van te maken”. Zijn engagement lag bij het toneel, dat hij innig liefhad. Als een bezoeker hem zei persoonlijk te zijn geraakt door een voorstelling, toonde hij zich altijd oprecht getroffen – ver voorbij de gebruikelijke toneelspelersijdelheid.

In 1984 ging Ton Lutz bij het Publiekstheater met pensioen als de drankzuchtige vader in De nacht, de moeder van de dag van Lars Norén. Maar hij bleef nog tot zijn tachtigste spelen en regisseren, en tot op hoge leeftijd doceren. Met grote toewijding en uiterste precisie, die trouwens niet alleen in zijn werk tot uiting kwam, maar ook in de manier waarop hij dagelijks de eendjes in de gracht voor zijn huis te eten gaf.

Lutz’ gedistingeerde hartstocht voor het toneel verflauwde nooit. Tot de vele prijzen die hij ontving, behoorde ook de Oeuvreprijs van de vereniging van schouwburgdirecteuren, als „een van de belangrijkste regisseurs van na de oorlog”. En niet voor niets reikt het Internationale Theaterschoolfestival sinds een paar jaar een onderscheiding voor jong regietalent uit, die de Ton Lutz-prijs heet.

De biografische website www.eenlevenlangtheater.nl/tonlutz/ bevat veel beeld- en geluidsfragmenten van en over Ton Lutz..

    • Henk van Gelder