Loeder Aarde

Hoort de mensheid wel of niet bij de natuur? En wat is haar rol als het gaat om het behoud van de planeet?

De aarde maakt het niet uit hoe haar oppervlak eruitziet.

Kruiend ijs vernietigt huizen van eskimo's op het eiland Sarichef. Scène uit de film The Last Days of Shishmaref (2008) van Jan Louter. scene uit de film The Last Days of Shishmaref (2008) FOTO: Cinemien Cinemien

Bijna onoverbrugbaar lijkt de afstand tussen het leven op aarde en onze kennis van de planeet die met ijzingwekkende snelheid door een oneindig heelal suist. Wie ervaart zijn persoonlijke verlangens in het licht van Darwins ‘natuurlijke selectie’? Pas een beeld of metafoor weet de afstand te verkleinen.

Vaak wordt daarbij teruggegrepen naar de antieke mythen, die het voordeel hebben dat bijna iedereen ze kent, desnoods alleen van horen zeggen. Een mooi voorbeeld is de ‘Gaia’- hypothese of -theorie, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw bedacht door de Britse uitvinder en wetenschapper James Lovelock. De Gaia-hypothese kwam erop neer dat alle leven op aarde zelf actief bijdraagt aan het in stand houden van een voor ander en eigen leven gunstige biosfeer.

In de milieubeweging en onder New Age-adepten had Lovelocks theorie veel succes, niet in de laatste plaats vanwege ‘Gaia’, de naam van de Griekse godin van de aarde. Als een goede moeder waakte de aarde over haar kinderen. Dat was in de beginjaren van het ecologische bewustzijn een welkome boodschap, die tegelijk een remedie aan de hand deed: men diende de natuur weer haar gang te laten gaan en alles kwam goed.

Maar blijkbaar werkt het zelfregulerende systeem van Gaia toch niet zo volmaakt. Of hoort de mensheid minder bij de natuur dan Lovelock het in eerste instantie had voorgesteld?

De aanhangers maakten zich over deze kwestie indertijd niet al te druk. Zij vereerden Gaia als de levende aarde, hoewel Lovelock dit ‘leven’ alleen metaforisch wenste op te vatten, en zij verkondigden dat de mensheid een flinke stap terug moest doen. De natuur en alle andere levende wezens dienden in hun rechten te worden hersteld. Konden we de situatie van vóór de industriële revolutie herstellen, dan was alle ecologische ellende in een keer voorbij. Terug naar de natuur werd het parool van milieuactivisten en ‘groene’ partijen.

Volgens de Amerikaanse paleontoloog Peter Ward zou zo’n terugkeer naar de natuur echter het domste zijn wat men kan doen. In zijn pas verschenen boek The Medea Hypothesis keert hij zich tegen het blinde vertrouwen in moeder natuur. En hij kiest een heel wat grimmiger beeld: Medea, de vrouw van Jason die na diens overspel hun kinderen vermoordde. Medea contra Gaia; wat onder deze botsing der beelden schuil gaat is een totaal andere opvatting van het leven op aarde.

In de inleiding verwijst Ward naar het genre van de slashermovie, de griezelfilms waarin moordende monsters hun bloederige gang kunnen gaan. Ook het leven op aarde wordt door zo’n monster bedreigd, maar in dit geval zijn moordenaar en slachtoffer identiek. De grootste bedreiging voor het leven, aldus Ward, is het leven zelf. Het leven evolueert volgens Darwins wetten, maar de eenheid waarop het zich richt is uitsluitend de eigen soort en geenszins de biosfeer, waarvan ook andere soorten kunnen profiteren. Met als gevolg dat het leven van de ene soort vaak ten koste gaat van dat van de andere.

Ward kiest min of meer hetzelfde uitgangspunt, maar zijn argumentatie beweegt zich in een heel andere richting. Om aan te tonen dat niets zo funest kan uitpakken voor het leven als het leven zelf, daalt hij miljoenen, zelfs miljarden jaren af in de geschiedenis van de aarde. Dus niet alleen de mens is bij Ward de boosdoener; de mens die nu de opwarming van de aarde mede veroorzaakt, is slechts een van de organismen die het leven bedreigt. Microben en bacteriën hebben meer dan eens een vergelijkbare rol gespeeld, bij ijstijden en perioden van grote warmte in het verre verleden. Voor dit inzicht is in de Gaia-theorie geen plaats, meent Ward, die ook wijst op het ‘massale uitsterven’ van levende wezens, vaak ten onrechte toegeschreven aan externe oorzaken (zoals de inslag van een asteroïde). Meestal zaten er ‘microbes gone wild’ achter.

De mens wordt weliswaar niet ontzien, de excessieve bevolkingsgroei zal het menselijk leven ten slotte fataal worden, maar toch, het is vast geen toeval dat het hoofdstuk over de mens in The Medea Hypothesis het kortste is. Maar van de mens verwacht Ward tenslotte ook de redding, niet van microben of bacteriën. Daarvoor dient de mens niet terug te keren tot de natuur, nee, hij moet de natuur juist zien te ‘overwinnen’. Technisch ingrijpen is volgens Ward de enige mogelijkheid voor de mens om zijn levenskansen te vergroten.

Dat neemt niet weg dat het leven op aarde sowieso ten dode is opgeschreven, vanwege het heter worden van de zon. Over een half miljard jaar is het afgelopen op aarde met alle leven, maar voor de mens komen de problemen al op veel kortere termijn, als de poolkappen zijn gesmolten en de zeespiegel drastisch is gestegen. Het enige wat de mens kan doen is dit proces zoveel mogelijk te vertragen. Verder mag er in elk geval geen oorlog worden gevoerd en zou het verstandig zijn om over te gaan op kernenergie. De mogelijkheid van verhuizing naar een andere planeet of ster wijst Ward, na rijp beraad, af als technisch onhaalbaar. We zitten vast op de aarde, dus laten we de handen uit de mouwen steken.

Het ironische hierbij is, zoals Ward zelf toegeeft, dat de mens om de Medea-effecten tegen te gaan zich zal moeten gedragen alsof hij in het bestaan van Gaia gelooft, met dit verschil dat hij een soortgelijk levenbevorderend systeem zelf tot stand moet zien te brengen. Dat wijst erop dat de verschillen tussen Ward en Lovelock weleens kleiner zouden kunnen zijn dan ze eerst schenen. Want ook Lovelock wil niet terug naar de natuur en over de huidige ‘groene’ ideologie en politiek is hij misschien nog wel negatiever dan Ward. In zijn nieuwste boek, The vanishing face of Gaia, waarschuwt hij zelfs dat Gaia helemaal niet de ‘gezellige moeder’ is die velen zo graag in haar zien.

Wat dit betreft ontbreekt bij Lovelock alle sentimentaliteit ten aanzien van Gaia, een heel verschil met haar New Age-aanhang. Ook is Lovelock, net als Ward, een voorstander van kernenergie, om zo snel mogelijk het gebruik van fossiele brandstoffen te kunnen elimineren. En was de mens tot voor kort nog een ‘planetaire ziekte’, nu blijkt de boodschap te luiden: ‘Gaia heeft ons nodig’.

Die taak zal alleen niet worden vervuld door de huidige massale mensheid, schrijft Lovelock koelbloedig; voor zoveel mensen is in de toekomst – na de opwarming van de aarde en de stijging van de zeespiegel – geen plaats meer. Slechts een klein deel zal het redden. Lovelock staat daar niet te lang bij stil, het vooruitzicht op een nieuwe mensheid die waarschijnlijk wél in harmonie met Gaia zal leven doet hem nu al watertanden.

Dat zowel Ward als Lovelock eindigt met wilde speculaties over de overlevingskansen van de mens, geeft aan waar het in de bekommernis om het milieu werkelijk om draait. Lovelock schrijft zelfs ergens dat wij ons niet druk hoeven te maken om de aarde, omdat die zich zelf wel redt, we moeten ons beperken tot ons eigen overleven. De aarde maakt het niet uit hoe haar oppervlak eruitziet, dat heeft zij in de loop van haar geschiedenis wel bewezen. Het is de mens die zich zo’n soevereine onverschilligheid niet kan permitteren.

Meer Gaia-theorie op: www.gaiatheory.org

James Lovelock: The vanishing face of Gaia. A final warning. Allen Lane/ Penguin Books. 178 blz. €25

Peter Ward: The Medea Hypothesis. Is life on earth ultimately self-destructive? Princeton Univ. Press, 180 blz. €21

    • Arnold Heumakers