Je plicht doen om erger te voorkomen

In de oorlog doodde het verzet honderden mensen.

Oud-verzetsstrijdster Truus Menger begrijpt niet waarom daar nu ophef over is. ‘Ze moesten gestopt worden.’

Truus Menger is boos. En ze heeft eigenlijk helemaal geen zin om over de oorlog te praten. De aandacht in de pers voor vermeende onnodige liquidaties door het verzet is haar helemaal in het verkeerde keelgat geschoten. „Alsof we zomaar wat deden.”

Menger, geboren Oversteegen (1923), besluit toch nog één keer haar verhaal te doen. Ze komt uit een communistisch nest. Na de machtsovername door Hitler in 1933 verschenen er thuis in Haarlem vluchtelingen uit Duitsland, van wie sommigen al in kampen hadden gezeten. Toen de Duitsers in 1940 Nederland binnenvielen, maakte Menger zich dan ook geen enkele illusie. Ze werd actief in het verzet, bracht illegale blaadjes rond en hielp onderduikers.

Nadat de Duitsers in 1941 de zogenoemde Februaristaking bloedig hadden neergeslagen, besloten Menger en haar jongere zusje Freddy dat geweldloos verzet niet meer volstond. Haar zus was de eerste van hun groep die samen met de commandant een liquidatie zou uitvoeren. Menger: „Ze zat daar enorm mee in haar maag. ‘Iemand neerschieten? Maar zoiets hebben we nog nooit gedaan’, zei ze.”

De zussen zochten steun bij elkaar. „We hebben wat afgehuild met zijn tweeën. Als je jong bent, hoor je te dansen, verliefd te worden, verkering te krijgen. Die kans werd ons ontnomen. Maar we wilden onze plicht doen.”

Ook Menger voerde een aantal liquidaties uit, hoeveel wil ze liever niet zeggen. En ze was betrokken bij het opblazen van een spoorlijn, een actie waarbij ze haar latere man ontmoette. Veel van het werk ondernam ze samen met Hannie Schaft, die na de oorlog door boek en film bekend zou worden als het ‘meisje met het rode haar’. Schaft werd vlak voor het einde van de oorlog opgepakt en gefusilleerd door de Duitsers, nog altijd tot groot verdriet van Menger.

Menger benadrukt dat haar groep niet zomaar landverraders neerschoot. „Dat ze NSB’ers waren, daar ging het ons niet om. De mensen die geliquideerd werden, waren actief bezig met het opsporen en verraden van joden en andere onderduikers. Ze moesten gestopt worden, om erger te voorkomen.

Dat de Raad van het Voormalig Verzet Nederland zich wil opheffen, begrijpt ze. „De organisatie waarvan ik lid ben, heeft nog maar twee of drie leden die de oorlog hebben meegemaakt. De afgelopen decennia heb ik op scholen veel over de oorlog verteld, in Nederland, maar ook in landen als de VS, Australië en Israël. Dat hoofdstuk is voor mij nu afgesloten. Ik zou me graag nog een jaar of vijf met hele andere dingen bezighouden.”

    • Bart Funnekotter