Een spion moet kunnen kletsen

Niet alle verzetsstrijders gebruikten tijdens de Tweede Wereldoorlog geweld.

Oud-verzetsstrijder d’Aulnis vond schieten eigenlijk onzinnig.

Iemand neerschieten? Maar zoiets hebben we nog nooit gedaan, zei Mengers zus. (Foto Johannes van Assem)
In vredestijd kan je over alles wat je doet rustig nog eens nadenken, meent D'Aulnis. (Foto Johannes van Assem) foto Johannes van Assem 29-04-2009, bovenkarspel Oud verzetstrijder Truus Menger.
Assem, Johannes van

Geen enkele geheim agent opereerde tijdens de Tweede Wereldoorlog zo lang succesvol op Nederlands grondgebied als rechtenstudent Pierre Louis baron d’Aulnis de Bourouill (1918). Hij werd in oktober 1943 gedropt boven Staphorst en wist tot aan de bevrijding onopgemerkt informatie te verzamelen en door te seinen naar Engeland.

D’Aulnis zette onder meer een weerstation op, belangrijk voor de Royal Air Force, en gaf door welke Duitse legereenheden waar in Nederland gestationeerd waren. Na 1945 bleek uit de archieven van de Duitse contraspionagedienst dat d’Aulnis bij hen nooit was opgevallen. Zijn werk leverde hem de Militaire Willems-Orde op, de hoogste koninklijke onderscheiding.

Hij bracht bijna twee jaar door in bezet gebied, zich verplaatsend van het ene naar het andere onderduikadres. Maar d’Aulnis heeft in al die tijd nooit geweld hoeven te gebruiken. Dat wilde hij ook niet. „In de intelligence heb je daar niets aan. Geweld zorgt voor onrust, ruis. Dat zou mijn werk niet ten goede zijn gekomen.”

Op de ‘spionnenschool’ in Engeland waar hij op voorspraak van ‘soldaat van Oranje’ Erik Hazelhoff Roelfzema was aangenomen, leerde hij wel schieten en silent killing. Maar eigenlijk vond hij dat onzinnig. „Een spion moet zich redden met geklets, niet met geweld.”

En kletsen kon d’Aulnis. Zoals die keer toen hij in de trein door een controleur werd betrapt met een koffertje met daarin een zender. „Ik vertelde hem dat het een Zweeds heilgymapparaat was, en dat geloofde hij.”

De discussie die de laatste maanden woedt over onzorgvuldige en onnodige liquidaties door het verzet, vindt hij desondanks vreemd. „Het was wel oorlog, dat moet je niet vergeten. In vredestijd kan je over alles wat je doet rustig nog eens nadenken. Maar als er in die jaren iemand was die te veel kletste, of die niet te vertrouwen was, dan kon elk moment van twijfel fataal zijn. Dan moest er snel beslist worden. Er was een wereldoorlog aan de gang.”

D’Aulnis was zeer kieskeurig in het verzetswerk dat hij deed. In de meidagen van 1940 had hij als vaandrig bij de luchtdoelartillerie gediend, en ook na de capitulatie bleef hij zichzelf beschouwen als militair. De rechtenstudent hield zich afzijdig van het studentenverzet, dat in de eerste jaren van de oorlog vooral actief was op het gebied van de illegale pers. „Ik wilde mijn leven niet voor niks wagen; ik wilde effectief zijn.”

D’Aulnis heeft er begrip voor dat de Raad van het Voormalig Verzet Nederland het volgend jaar voor gezien wil houden. „We zijn allemaal erg oud aan het worden.”