Daar gáát weer een stukje onschuld!

In de dagen na Apeldoorn hebben we veel cultuurhistorische, antropologische, psychopathologische en sociaal-politieke geleerdheid moeten slikken. Desondanks miste ik Herostratos.

Herostratos was een Griek (‘stille, rustige man’, getuigden al zijn buren; altijd op tijd met de huur) die op een dag naar Efeze reisde en daar de tempel van Artemis in brand stak. Dat was 356 voor Christus. De tempel gold als een wereldwonder, waarbij je in aanmerking moet nemen dat de toenmalige wereld een stuk kaler was dan de tegenwoordige.

Wat had hem bezield? Gelukkig ging hij niet nog dezelfde nacht dood, dus nadat hij gearresteerd en uitvoerig verhoord was, kregen zijn ondervragers ten slotte ook het motief boven tafel. Het was heel eenvoudig. Herostratos wilde wereldberoemd, en vervolgens onsterfelijk worden.

De geslaagde verbranding van een tempel in het antieke Griekenland van 24 eeuwen geleden, kun je waarschijnlijk niet helemaal vergelijken met de mislukte aanslag op een koninklijke feestbus in het Apeldoorn van vorige week – laat staan dat je kunt zeggen wat erger was. Vast staat dat alle Griekse jagers diep ontzag hadden voor Artemis die snel op haar teentjes was getrapt, en dat de geaffronteerde godenfamilie natuurlijk op haar achterste benen stond. Zeus zou zo woedend zijn geweest dat hij nog dezelfde nacht de geboorte regelde van Alexander de Grote, die de schennis later moest wreken. Maar dat kunnen ze ook uit hun duim hebben gezogen. U weet hoe die Grieken waren: allemaal mythomanen.

Jammer dat de denktank van De wereld draait door in de Oudheid nog niet bijeen kwam, anders hadden ze toen al kunnen vaststellen dat Griekenland in dat cruciale jaar waarschijnlijk zijn onschuld heeft verloren. Eén tanklid (Jan Mulder) legde later in een videocolumn uit dat je Apeldoorn niet een drama, maar een tragedie moest noemen, omdat een drama ook een blijspel kon zijn. Schattig vind ik dat: het beeld van iemand die in nachtelijke uren de hele Wikipedia afsurft om een wetenswaardigheidje voor z’n volgende videocolumn te vinden.

Verloren onschuld is intussen wel weer hét nationale schrikbeeld geworden na de middag van 30 april 2009 – net als na de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Nederland is als land vermoedelijk ook zó ontzettend lang onschuldig geweest, dat je wel drie of vier, of tien of honderd keer kunt denken: nu zijn we de oude onschuld eindelijk kwijt, en dan blijkt ze d’r nòg te zitten.

Denk aan het incident rond Anton Zijderveld, die ineens bekend maakte dat hij zijn lidmaatschap van het CDA had opgezegd, omdat de christen-democratische voorzitter Van Heeswijk een coalitie van zijn partij met de beweging van Geert Wilders niet bij voorbaat wilde uitsluiten. Moesten ze, twee jaar voor het er op aan kwam, nu al tegen die man aanschurken, vroeg Anton zich af. En hij verliet het schuldig onderdak waar hij geëerd was als denker, ideoloog en strateeg.

Meteen kwam Hans Hillen in het geweer. ‘Niemand in het CDA zit op samenwerking met de PVV te wachten’, verklaarde de senator op de gedecideerde toon waarmee je een zaak afdoet. Maar al in de volgende zin nam hij gas terug, en zei: ‘Onze partij beseft evenwel dat het land onder alle omstandigheden geregeerd moet worden’.

Precies. Als Balkenende in 2002 geen seconde aarzelde om met de lijst van Pim Fortuyn in zee te gaan, waarom zou hij dan in 2011 ineens politieke, morele of zelfs principiële bezwaren hebben om het land samen met Geert Wilders te regeren? Fausten van het landsbelang: als het moet pacteren ze met Mefisto.

En Anton Zijderveld? Die brandde een kaarsje voor zijn sociologische onsterfelijkheid, en als kleine Herostratos kan hij nog honderd keer z’n onschuld verliezen zonder dat iemand het merkt.

    • Jan Blokker