Wildgroei aan perkjes is zwaktebod

Stel dat bewoners van elke woning in Nederland naar eigen inzicht 75 vierkante meter groen mogen beheren, zoals de Nota Ruimte in 2004 voorstelde. Hoe zou Nederland er dan uitzien? Lees hieronder de antwoorden van Joris van Casteren, Bas Heijne en Abdelkader Benali.

Dat iedere burger recht heeft op 75 m2 groen suggereert dat het algemeen belang ondergeschikt zou zijn aan het individuele belang – en dat is precies de ziekte waarvan Nederland nu eens moet genezen.

Schrijver en redacteur van NRC Handelsblad

In de bejubelde animatiefilm Wall-E (2008) wordt de mensheid verlost door een plantje. De intrige is even aandoenlijk als moralistisch: op een door de mensheid verlaten aarde, waarop torenhoge bergen afval alle natuur hebben vervangen, doolt een eenzaam vuilruimend robotje rond, dat onverwacht over menselijke eigenschappen blijkt te beschikken.

Een ander robotje, veelzeggend Eve geheten, landt op aarde met de opdracht om zo mogelijk levende organismen te verzamelen. Die stuit op een heel nietig plantje in de verzameling postapocalyptische rommel van Wall-E. Het is het enige dat nog groeit op de wereld. Het blijkt de kans op regeneratie, want zoals gaandeweg duidelijk wordt: de mensheid verkeert al honderden jaren in de ruimte. Terugkeer is wegens de giftige vervuiling van de aarde niet langer mogelijk. Gebrek aan beweging en natuur hebben monsterlijk lethargische en dikke mensen voortgebracht. Na hectische avonturen van de twee robotjes krijgt het plantje zijn bestemming en verlost het de mensheid uit zijn kunstmatige leven in de ruimte. Men keert terug naar de aarde; het opnieuw op aarde gepote plantje is symbool voor het nieuwe begin. Eens zal de aarde weer leefbaar zijn.

Wall-E gaat over een schattige machine, maar de film is in werkelijkheid een groen sprookje. De subtekst is zo overduidelijk dat je het nauwelijks een subtekst kunt noemen: de mensheid vernietigt de natuur door overconsumptie en verliest daardoor wat haar juist het meest menselijk maakt. Die gespletenheid – een ongeremde materialistische ambitie tegenover een pijnlijk besef van het verlies van natuurlijkheid, gesymboliseerd door alles wat „groen” is – is de grote kwestie van onze tijd, een kwestie die dieper snijdt dan de spanning tussen wetenschap en godsdienst of de botsing tussen welke culturen dan ook. Hoeveel natuur heeft een mens nodig?

Een dergelijk schuldbewustzijn klinkt ook door in de Nota Ruimte van een paar jaar geleden, waarin de menselijke behoefte aan groen in de stad gekwantificeerd is in het richtgetal van 75 m2 groen per woning. Dat klinkt mooi, maar zoals bij alles wat in Nederland mooi klinkt, blijkt de praktische uitvoering ervan hopeloos ingewikkeld. Zoals de website Groen en de stad (groenendestad.nl) vorig jaar al stelde: „Uit de inventarisatie van de achtergrond van het richtgetal blijkt er in de praktijk veel onduidelijkheid te bestaan over de manier waarop het richtgetal toegepast dient te worden. Verschillende opvattingen over typen groen die meetellen in de oppervlakte, grenzen van de stad en de berekeningswijze leiden tot verschillen in datasets van de gemiddelde oppervlakte groen per woning.’’

Wat begint als een ideaal, eindigt in ambtelijk gesteggel. Bovendien dient zich het schrikbeeld van een hopeloze verkaveling aan, ontelbare kleine beetjes groen in de stedelijke gebieden als evenveel doekjes voor het bloeden, een even wanhopige als ineffectieve poging om de moderne stedeling de illusie van heilzame natuur te geven. Je begrijpt het wel: uit die ferme 75 m2 blijkt het voornemen om nu eindelijk eens concreet te zijn (hoeveel groen heeft een mens nodig? Antwoord: precies vijfenzeventig vierkante meter), maar er spreekt vooral een onmachtig geloof in maakbaarheid uit, dat wel moet stuklopen op de harde werkelijkheid.

Er spreekt ook nog iets anders uit: een nogal kruiperige welwillendheid jegens de burger als autonoom individu. De gedachte dat iedere burger recht zou hebben op 75 m2 aan groen suggereert voor de zoveelste keer dat het algemeen belang ondergeschikt zou zijn aan het individuele belang – en dat is precies de ziekte waarvan Nederland nu eens moet genezen. Zo wordt ook de echte discussie vermeden. Die zou zich niet moeten richten op wenselijkheid maar op mogelijkheden: je kunt stellen dat mensen het over het algemeen prettig vinden om groen in de buurt te hebben, zonder te vervallen in de evangelische overtuigingen van natuuraanbidders. In veel grote wereldsteden moet je echter een flink eind met de auto, de metro of de bus om bij het groen te komen – is dat erg? Het lijkt me te verkiezen boven een onmachtige verkaveling van het groen, een wildgroei aan perkjes en plantsoentjes.

Liever, wat mij betreft, heel veel aangelegde natuur op één plek, dan heel veel klein groen verspreid over de stedelijke gebieden. Dat grote groen is dan van de gemeenschap en draagt het stempel van de gemeenschap, zoals Central Park in New York of het Vondelpark in Amsterdam. Wie per se een huis met een tuin wil, of een plantsoen voor de deur, moet maar buiten de stad gaan wonen. Natuur moet er zijn, maar niet overal. Dat groenvoorzieningen juist in achterstandsbuurten van groot belang zijn, is zeker waar, maar een speelplaats of een sportveld doet daar meer goed dan een miniem parkje.

De manifestatie Maak ons land, die de afgelopen maanden werd georganiseerd door het Nederlands Architectuurinstituut, had als uitgangspunt van de ruimtelijke inrichting van Nederland weer een „bevlogen en ambitieuze missie” te maken. Ook dat klinkt mooi, en ook nu is de uitvoering ingewikkeld. De beperkte ruimte in Nederland en de aanspraken van rijksoverheid, marktpartijen en de burger dwingen tot een principediscussie over wat wenselijk is en wat mogelijk. Uiteindelijk moeten er keuzes gemaakt worden. Hoewel het goed is om burgers bij het proces te betrekken, bereik je geen consensus met de huidige, nivellerende en depressief makende inspraakcultuur, die alle ambitie onherroepelijk ten onder doet gaat onder een berg bezwaarschriften. Die 75 m2 is een zwaktebod.