Volleybalcompetitie?

Drie dagen nadat volleybalclub Nesselande de landstitel behaalde, werd bekend dat de club failliet is. Eerder ging ook Omniworld ten onder. Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse competitie?

Ron Zwerver, trainer Nesselande, won als volleybalinternational de gouden medaille op de Spelen in Atlanta: „Een groot probleem van het volleybal is dat de clubs geen eigen accommodaties hebben omdat sporthallen onbetaalbaar zijn. Clubs hebben dus ook geen eigen bar. Leden zijn daardoor minder verbonden met hun club. Daarbij is volleybal niet aantrekkelijk voor het grote publiek, dat zag ik weer bij de finales van de play-offs. De meeste sponsors komen daardoor niet uit de zakenwereld. Sponsorgeld wordt vaak uit liefde voor de club geschonken. Als het economisch wat minder gaat, raak je zulke sponsors snel kwijt. De Nederlandse volleybalclubs moeten daarom kijken hoe ze zichzelf opnieuw kunnen organiseren. Ik verwacht dat er nog een schifting zal plaatsvinden en dat andere clubs hun begroting ook niet rond krijgen. Het grootste drama daarvan is dat jonge spelers eerder naar het buitenland zullen vertrekken omdat ze daar iets meer betaald krijgen.”

Frits Suèr, in de jaren tachtig de grondlegger van het Nederlandse topvolleybal: „Het betekent een verlaging van het technisch niveau. Dat hoeft niet rampzalig te zijn zolang de talenten zich in het buitenland kunnen ontwikkelen. Daar is de financiële situatie echter niet anders. Ik hoor alleen maar slechte berichten. Daarom zal het topvolleybal in de toekomst weer neerkomen op mensen die hun droom willen verwezenlijken en die niet naar geld kijken. Gelukkig bestaan zulke jongens en meisjes nog steeds. Dat het financieel minder gaat, heeft dus ook een positieve, zuiverende werking.”

Peter Blangé, bondscoach van de Nederlandse ploeg en voormalig trainer van Nesselande: „Voldoende concurrentie is belangrijk voor een competitie. Daarom moeten we zorgen dat er acht competitief waardige clubs in de A-League spelen. Voor de Nederlandse ploeg is het van belang dat de opleidingslijn richting de nationale selecties in tact blijft. Er moeten dus voldoende trainingsmogelijkheden blijven. Nesselande was een volleybalbolwerk waar de spelers vier uur per dag trainden. Hoewel dat bij een aantal andere clubs ook gebeurt, is het zonde dat die club wegvalt. Als er niet voldoende trainingsplekken zijn, raken we in de toekomst achter op de concurrentie.”

Marcel Sturkenboom, directeur Nederlandse volleybalbond (NeVoBo): „Aan het faillissement zit natuurlijk een puur zakelijke kant. Een aantal partijen moet serieus kijken naar de fouten die zijn gemaakt en daar lering uit trekken. Maar ik vind niet dat we alleen maar moeten terugkijken. Daarom zijn we met de NeVoBo, Rotterdam Topsport en de vereniging aan het onderzoeken of het mogelijk is een soort doorstart te maken. Want de continuering van een topvereniging in Rotterdam is van groot belang voor de nationale competitie en uiteindelijk ook voor het Nederlands team.”

Olof van der Meulen, voormalig trainer Omniworld, won als volleybal international de gouden medaille op de Spelen in Atlanta: „Clubs moeten inzien dat ze minder geld aan spelers moeten betalen. Volleyballers moeten weer een baan hebben of een studie volgen en slechts in de avonduren trainen – terug naar vroeger dus. Nesselande is niet de enige met geldproblemen. De clubs moeten met elkaar om de tafel om afspraken te maken. Natuurlijk blijf je als club individueel bezig. Maar samen moeten ze er wel voor zorgen dat de competitie in stand blijft. En dat lukt niet als spelers te veel betaald krijgen.”

Arend van der Knaap, aftredend voorzitter Nesselande: „Voor de competitie betekent het dat er weer een topclub verdwijnt. Als Nesselande terugkomt, is dat op amateurniveau. Het grootste probleem daarvan is dat de Nederlandse toppers die bij ons speelden naar het buitenland zullen vertrekken. Op de lange termijn heeft het faillissement ook gevolgen voor het Nederlands team. Wij waren namelijk een belangrijk opleidingsinstituut voor de nationale ploeg.”