Tibetanen zijn net zo onvrij als andere Chinezen

Er is een karikatuur ontstaan van de Tibetanen als een mystiek, wijs volk dat is vertrapt door een gewelddadig rijk. Is steun voor de Tibetaanse zaak daarmee fout? Nee. Maar de steun moet zich richten op democratische rechten, niet op de Tibetaanse cultuur of nationale onafhankelijkheid.

Brits-Nederlandse journalist. Studeerde Chinese literatuur aan de Universiteit Leiden. Is hoogleraar democratie, mensenrechten en journalistiek aan het Bard College in New York

Onlangs was het vijftig jaar geleden dat de Tibetanen in Lhasa in opstand kwamen tegen het bewind van de Chinese Communistische Partij. Tibetaanse activisten spreken graag van de Dag van de Tibetaanse Nationale Opstand. De opstand werd neergeslagen. De dalai lama vluchtte naar India, en minstens tien jaar lang werd alles nog veel erger: veel Tibetanen – mogelijk meer dan een miljoen – verhongerden tijdens de Grote Sprong Voorwaarts van voorzitter Mao, tempels en kloosters werden verwoest, soms door Tibetaanse Rode Gardisten tijdens de Culturele Revolutie, en een groot aantal mensen kwam bij het geweld om.

Het Chinese gezag is merkbaar gespannen in dit jaar van jubilea (twintig jaar na Tiananmen). In maart was ik toevallig in Chengdu, in de provincie Sichuan, waar veel Tibetanen wonen. Zelfs buitenlandse toeristen die geen notie van een herdenking hadden, werden op straat staande gehouden door politie, op zoek naar tekenen van rebellie. De kleurrijke Tibetaanse wijk werd afgesloten. Het was niet alleen verboden er foto’s te nemen; ik mocht er niet eens doorheen lopen.

De Chinese pers daarentegen herdacht 1959 met uitbundige artikelen waarin de Tibetaanse vreugde werd beschreven over de bevrijding na eeuwen van feodalisme en slavernij. Als we bijvoorbeeld de China Daily mogen geloven, dan was Tibet ‘voor de Bevrijding’ een hel op aarde, en zijn de Tibetanen tegenwoordig dolgelukkig en diep dankbaar om deel uit te mogen maken van de Volksrepubliek China.

Sommige Tibetanen zijn dat waarschijnlijk ook. Maar velen niet. Wel is het zo dat de Chinese propaganda een te somber beeld mag schetsen van het Tibetaanse verleden van vóór 1959, maar dat westerse sympathie voor de Tibetaanse zaak niet geheel vrij is van vals sentiment. De persoonlijke charme van de dalai lama heeft, in combinatie met de Himalaya-sfeer van verheven spirituele wijsheid, bijgedragen tot een karikatuur van een mystiek, wijs en vredelievend volk dat is vertrapt door een gewelddadig en goddeloos rijk. Maar het was niet voor niets dat heel wat geschoolde Tibetanen de Chinese communisten in 1950 juist welkom heetten. Niet zonder reden werd de boeddhistische geestelijkheid door die Tibetanen destijds beschouwd als achterlijk en autoritair. Het Chinese communisme beloofde een modernisering.

En die belofte heeft de overheid de afgelopen decennia ook ingelost. Lhasa, nog maar dertig jaar geleden een slaperig, vrij groezelig stadje rondom het schitterende Potala-paleis, is nu een grote stad met enorme openbare pleinen, winkelcentra en hoogbouw, verbonden met de rest van China door een hogesnelheidstrein. Wel hebben de Tibetanen, die maar spaarzaam vertegenwoordigd zijn in het lokaal bestuur, daarvan minder geprofiteerd dan de Han-Chinezen, die in steden als Lhasa zo overweldigend aanwezig zijn – als soldaten, kooplui en prostituees – dat men zich af kan vragen of er nog iets overblijft van de Tibetaanse cultuur, behalve hier en daar als toeristische attractie.

Maar Tibetaanse steden zijn nu onmiskenbaar moderner – qua elektriciteit, onderwijs, ziekenhuizen en andere openbare voorzieningen – dan vroeger. Dat is een van de argumenten die worden gebruikt, niet alleen door de Chinese autoriteiten maar door bijna alle Chinezen, om de inlijving van Tibet in Groot-China te rechtvaardigen. Westerse koloniale mogendheden, en ook Japan, gebruikten hetzelfde argument aan het begin van de twintigste eeuw ter rechtvaardiging van hun ‘missies’ om inheemse bevolkingen te ‘beschaven’ of ‘moderniseren’. Taiwan was onder Japans bewind inderdaad moderner dan andere delen van China. De Britten brachten India modern bestuur, maar ook spoorwegen, universiteiten en ziekenhuizen. In Nederlands Oost-Indië was de ‘ethische politiek’ bedoeld om het onderwijspeil en de welvaart onder de Indonesiërs te verhogen.

Weinig Europeanen en Japanners zouden nu nog beweren dat modernisering voldoende legitimatie biedt voor koloniaal bestuur. Modernisering behoort te worden uitgevoerd door volkeren met zelfbeschikking en niet te worden opgelegd door vreemde machten. Met andere woorden: de Tibetanen zouden het recht moeten hebben om zichzelf te moderniseren.

Maar de Chinezen hebben nog een ander argument achter de hand en dat lijkt steekhoudender – en zeker moderner. Ze zijn terecht trots op de etnische verscheidenheid van China. Waarom zou nationaliteit door taal of etniciteit moeten worden bepaald? Als de Tibetanen met China moeten kunnen breken, waarom dan niet de Welshmen met Groot-Brittannië, de Basken met Spanje, de Koerden met Turkije of de Kashmiri’s met India? In sommige gevallen zou het antwoord kunnen luiden: ja, dat moet misschien ook wel. Maar etniciteit als bepalende factor van nationaliteit is een vaag en gevaarlijk begrip, niet in de laatste plaats omdat daarmee alle minderheden in de kou staan.

Doen mensen er daarom verkeerd aan om de Tibetaanse zaak te steunen? Moeten we die als sentimentele onzin afdoen? Niet per se. Het draait niet zozeer om de Tibetaanse cultuur of spiritualiteit, of zelfs om nationale onafhankelijkheid, maar om democratische rechten. In dat opzicht zijn de Tibetanen net zo slecht af als andere burgers van de Volksrepubliek China. In naam van de ontwikkeling worden overal in China historische monumenten platgewalst. In alle Chinese steden, niet alleen in Tibet, wordt de cultuur gesteriliseerd, gehomogeniseerd en van haar onafhankelijkheid en spontaniteit ontdaan. De regerende partij kan door geen enkele Chinese burger worden weggestemd, of hij nu Han, Tibetaan, Oeigoer of Mongoliër is.

Het probleem draait dus niet in hoofdzaak om nationaliteit of discriminatie, maar om politiek. Volgens de Chinese overheid zijn de Tibetanen gelukkig. Maar zonder vrije pers en zonder stemrecht is dit niet na te gaan. Incidentele daden van collectief geweld, gevolgd door even gewelddadige onderdrukking, doen vermoeden dat het voor velen niet opgaat. Zonder democratische hervormingen zal deze cirkel niet doorbroken worden, want geweld is typisch de uiting van een volk zonder recht op vrije meningsuiting. Dit geldt voor Tibet, maar ook voor de rest van China. De Tibetanen worden pas vrij zodra alle Chinezen vrij zijn. In die zin althans zijn alle burgers van China gelijk.