Nieuw leesteken

Van tijd tot tijd, gemiddeld eens in de veertien dagen, moet ik op zondagochtend vroeg de deur uit, soms naar het Mediapark in Hilversum, een andere keer naar een studio in Amsterdam. Wat is vroeg? Op een werkdag half zeven, op zondag een uur of half negen. Hier en daar rijdt een auto, een oude man laat zijn hondje uit, vogeltjes fluiten, allemaal bewijzen dat de aarde niet in de staart van de komeet is gekomen. Het leven gaat wel door maar de straten zijn bijna leeg. Wat een genot. Niemand loopt door je blikveld, de stad heeft een andere zichtbaarheid gekregen. Alles staat steviger in zijn contouren, het perspectief is vlijmscherp, alsof het door een surrealist is geschilderd. In de leegte van de zondagmorgen is alles beter zichtbaar.

Tot zover de poëzie. Er is nog een oorzaak waardoor de slapende metropool zo paradijselijk is. Dat is de afwezigheid van de overtreffende trap. Een groot deel van het leven op een gewone werkdag bestaat uit het elkaar de loef afsteken, de eerste zijn, de beste plaats hebben, scoren. Lang geleden is het begonnen met de combinatie van radio en voetbal. In 1934 werd in Rome het wereldkampioenschap voetbal gehouden. Nederland ging op weg, met een krijgslied: we gaan naar Rome, we gaan naar Rome, en Vente neemt zijn kanjers mee. De hele natie zong mee. De radio volgde alles op de voet. Te veel kabaal, dat wordt niets, dacht ik als jongen van zeven. Verstand van voetbal had ik niet, heb ik nog niet, maar ik had gelijk. Het elftal strandde in Milaan, tegen de Zwitsers. Nationale schande en rouw.

Ook nog voor de oorlog speelden twee komieken, Piet Muyselaar en Willy Walden een nationale rol. Ze hadden zich verkleed als oudere dames, juffrouw Snip en juffrouw Snap en waren in die hoedanigheid de heldinnen van een komisch radioprogramma, de Bonte Dinsdagavondtrein, uitgezonden door de AVRO. In een context die ik me niet herinner, werd een van de spelers Poppedijntje genoemd. Per aflevering werd er wel tien keer Poppedijntje geroepen. Lachen. Op straat zagen slagersjongens, melkboeren, schillenboeren een aardig meisje lopen. Poppedijntje! HBS’ers namen het over. Overal schalde de leuke bijnaam. Zoiets duurt natuurlijk niet lang. Toen kwam de oorlog. De enigen die op straat nog hun stem verhieven waren de Duitsers en de NSB’ers. Ze zongen terwijl ze marcheerden.

Ik sla nu een tijdvak over, begin weer bij de komst van de televisie. We hebben het niet voorzien, maar door en in het nieuwe medium – zo noemden we het toen – is de Bekende Nederlander geboren. In het begin moest je daar nog iets voor kunnen doen waardoor je bewees dat je een uitzonderlijk talent had: de beste hordenloopster ter wereld zijn bijvoorbeeld. Maar ook het beste is onderhevig aan inflatie. Nu kan iedereen BN’er worden, ook door iets ten beste te geven wat ieder verstandig mens wel uit zijn hoofd zal laten. Voor de televisie je eigen braaksel opeten bijvoorbeeld.

Toen kwam internet, en daarmee voor iedereen die een laptop heeft de mogelijkheid om zich wereldwijd te profileren. Het taalgebruik in de massamedia wordt al sinds tientallen jaren gekenmerkt door het gebruik van de overtreffende trap, waaraan dan nog kracht wordt bijgezet door woorden als heel, erg, ontzettend, verschrikkelijk. Dat gebeurt ook in kringen van erkende cultuurdragers. In vraaggesprekken op Radio Vier verklaren al die geïnterviewde componisten en musici wel een paar keer dat ze zich heel erg ontroerd hebben gevoeld of verschrikkelijk ontzettend hun best hebben gedaan. Een mens raakt eraan gewend, er is iets in je interne ontvangstinstallatie dat vereelt, verhoornd raakt. Een vorm van zelfbescherming.

Maar nu de actuele vraag. Hoe profileert een mens zich tussen al die miljoenen op internet? Door een oorspronkelijke manier van uitdrukken. Bekijk de blogs en overtuigt u zich: veel van de eigentijdse profileerders proberen nog platter te zijn dan degenen die ze willen verslaan. Ook dat heeft zijn grenzen. En dan is er het ultieme wapen: het uitroepteken. Eén uitroepteken is allang niet meer voldoende. Een stuk of tien. Een hele regel. Het uitroepteken, eens de sabel van Louis Fernand Céline en W.F. Hermans, is tot het botte mesje van de horden der machteloze miskenden geworden.

Er is behoefte aan een nieuw leesteken, een tweedimensionale bom, een gepatenteerde voltreffer aan het einde van de digitale kreet om aandacht. Degene die dit leesteken ontwerpt heeft het kernwapen van internet uitgevonden. Tot ook dat door de inflatie tot niets gereduceerd zal zijn.

    • S. Montag