'Ik werd in het verzet gedúmpt'

Ze is net 95 geworden en eigenlijk heeft verzetsvrouw Hebe Kohlbrugge geen tijd. Toch praat ze. Over Adolf Hitler, dominees achter het IJzeren Gordijn en de beweging van Wilders. ‘Het is zo verschrikkelijk dom allemaal.’

‘In de jaren ’30 leden mensen honger, ze waren verschrikkelijk arm. In Nederland lijdt niemand honger’ ‘Ik werd in het verzet gedúmpt’ interview Hebe Kohlbrugge Ze is net 95 geworden en eigenlijk heeft verzetsvrouw Hebe Kohlbrugge geen tijd. Toch praat ze. Over Adolf Hitler, dominees achter het IJzeren Gordijn en de beweging van Wilders. ‘Het is zo verschrikkelijk dom allemaal.’

Hebe Kohlbrugge was in de Tweede Wereldoorlog een van de dapperste vrouwen in het verzet. Ze reisde clandestien naar Zwitserland om geheime documenten af te leveren – in haar eentje, ’s nachts door donkere bossen kruipend de grens over. In september 1944 werd ze gevangengezet in concentratiekamp Ravensbrück. Het is na te lezen in Lou de Jongs Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Ze heeft geen zin om erover te praten. Geen tijd bovendien. Maar vooruit, een uurtje dan, omdat het bijna 5 mei is en ze al veertig jaar op NRC Handelsblad is geabonneerd. Woensdagavond van half acht tot half negen, en de fotograaf moet meteen meekomen. „Geen gedoe.”

Toch lacht ze vriendelijk als ze de voordeur opendoet. Ze toont zich blij met de meegebrachte roomboterkoekjes, al laat ze het pakje dicht. Ze biedt ook niets te drinken aan.

Een frêle vrouw in een groot jarendertighuis, bij de Maliebaan in Utrecht. Ze is net 95 geworden. Eén keer per week komt de werkster, de rest doet ze zelf. Ook de tuin, waar de rododendron en de appelboom in bloei staan. Ze woont hier sinds 1950, heel lang met haar zuster Hanna, die hoogleraar Iraanse Taal- en Letterkunde was aan de Universiteit Utrecht. Maar zij is in 1999 overleden, na een ongeluk.

Wat te vragen aan iemand met zo’n lang leven? Na de oorlog ging ze naar Duitsland om de contacten met de kerk daar te herstellen. Ze verleende hulp aan christenen in Oost-Duitsland, Roemenië, Tsjechië, Polen, Hongarije. Ze reisde naar Zuid-Afrika, Canada, de Verenigde Staten, Turkije, Israël, Iran. En altijd was ze in verzet – tegen het communisme, tegen apartheid, tegen onderdrukking van Palestijnen.

Je zou willen weten waar het begonnen is.

Ze werd geboren in Utrecht, in 1914, kort voor de Eerste Wereldoorlog, als jongste in een Nederlands- hervormd gezin met vijf meisjes. Haar vader was landbouwkundige, haar overgrootvader – Hermann Friedrich Kohlbrugge – is in kerkelijke kringen nog altijd een beroemde theoloog. Ze leerde vloeiend Duits spreken van de vele Duitse oorlogskinderen die haar ouders in huis namen. Ze zou er later, schrijft ze in haar memoires Twee maal twee is vijf (2002), haar leven mee redden.

Na de hbs ging u naar Engeland. Waarom?

„Niks opwindends. Ik wilde studeren, maar ik had al zusjes die studeerden en mijn vader betaalde zich blauw. Dus ik deed een cursus verpleging en toen ging ik de wereld in. Eerst naar Noorwegen, waar ik in een aardig gezin kwam. Ik moest de kinderen Duits leren. En daarna naar Londen, waar ik au pair nurse werd bij een neef van Churchill. Maar die naam zei me toen niets.” Churchill was minister-president van Groot-Brittannië in de Tweede Wereldoorlog.

Waarom ging u in 1936 naar Berlijn?

„Hoofdzakelijk omdat ik iets van een opleiding wilde gaan doen en daar was een Seminar für kirchlichen Frauendienst (seminarie voor kerkelijke vrouwendienst – red.). Ik had het idee dat ik naar Indonesië wilde en het leek me nuttig om meer van de Bijbel en het christelijk geloof te weten. En ik was geïnteresseerd in wat er in Duitsland gaande was. Die neef van Churchill had gezegd dat er iets nieuws en heerlijks bloeide, iets wat ik prachtig zou vinden. Nou, dat werd een enorme teleurstelling.”

Het seminarie was in Dahlem, een buitenwijk van Berlijn, waar ze dominee Niemöller leerde kennen. Die was zich in 1934 tegen het nationaal-socialisme gaan verzetten toen niet-ariërs geen kerkelijke ambten meer mochten bekleden. Door dominee Niemöller sloot Hebe Kohlbrugge zich aan bij de ‘Bekennende Kirche’ – de Belijdende Kerk – de verzetsbeweging van Duitse protestanten.

Was het moed?

„Nee, het was wil. Je kunt ook níet willen zien wat er gaande is en doorlopen. Maar als je het wel wilt zien, dan moet je ook iets doen. Voor mij was het niet zo moeilijk. Ik was een jonge vrouw, zonder gezin dat ik in gevaar kon brengen.” Dominee Niemöller – hij had vrouw en kinderen – werd in 1937 al tot Hitlers persoonlijke vijand verklaard en naar Sachsenhausen overgebracht, daarna naar Dachau.

U werd in 1938 Duitsland uitgezet.

„Ja. O ja. Ik werd opgeroepen door de Gestapo, omdat er bij het jeugdwerk dat ik deed meer kinderen zaten dan bij de Hitlerjugend. Als je daar dan heen gaat, heb je toch angst, of in elk geval een benauwd gevoel. Om me een houding te geven zei ik ‘Guten Morgen’. Die mannen meteen kwaad. ‘Können Sie nicht grüßen?’ Ik dacht: ‘O ja, ik moet Heil Hitler zeggen.’ Maar dat plezier gunde ik ze niet. Dus ik antwoordde: ‘Ist guten Morgen kein schönen Gruß?’ Toen moest ik naar de gevangenis. De Nederlandse gezant heeft me er uitgekregen – die man had van mij een lintje mogen krijgen – en ik kreeg een treinkaartje naar Nederland. Ik werd ‘für ewig’ uitgewezen. Toen ik later in Scheveningen zat, werd ik weer ‘für ewig’ uitgewezen, nu uit Nederland. Ik dacht: ‘Jullie zijn ook helemaal gek met je ewig.’”

Op het seminarie werkte u, op uw drieëntwintigste, aan een scriptie over het zondebegrip bij uw overgrootvader Kohlbrugge. Wat bezielde u?

„Ik had inmiddels wel begrepen dat Hitler fout was. Maar veel Duitsers stonden achter hem. Was dat zonde of domheid? Ik wilde weten wat mijn overgrootvader, die zo duidelijk over zonde had gesproken, van zulke vraagstukken vond. Maar het was te hoog gegrepen. Is het zonde als je een leugentje vertelt? Als je tegen God rebelleert? De verschillen waren voor mij nog niet duidelijk. Later begreep ik dat het geen leugen was als je zei dat je geen Joden in huis had, terwijl het wel zo was. En ook niet als je zei dat je Christine Doorman heette en op weg was naar je lieve verloofde in Zwitserland, terwijl dat een verzinsel was. Alleen Gods gebod telt.”

In 1939 ging ze met een beurs naar Bazel om te studeren bij Karl Barth, een van de invloedrijkste theologen van de twintigste eeuw door zijn overtuiging dat God zich ‘Senkrecht von Oben’ – loodrecht van boven – openbaart en dat alleen de Bijbel de bron van kennis over God kan zijn. Barth verzette zich ook tegen het nationaal-socialisme. Hij was in 1935 uit Duitsland naar Zwitserland uitgeweken.

U had nooit het idee dat u zou trouwen en kinderen krijgen?

„Daar heb je geen belangstelling voor als je steeds dieper in het verzet raakt. Geen tijd, geen zin, geen aandacht.”

U werd nooit verliefd?

„Nooit serieus. Maar het was geen bewuste keuze om niet te trouwen. Je leeft, je doet je werk, je gaat gewoon door.”

De studie in Bazel duurde maar kort. In de vakantie ging ze naar huis. Toen brak de oorlog uit en kon ze niet meer terug. Ze ging in Amsterdam werken, op het kerkenraadsbureau.

Daar werd ze al snel opgezocht door de jonge dominee Jan Koopmans, die ze kende uit de kerk in Amerongen waar ze heen ging als ze bij haar ouders was. In de eerste dienst die ze van hem bijwoonde had hij gebeden voor de Belijdende Kerk. Ze was naar hem toe gegaan en ze hadden – zo staat het in Twee maal twee is vijf – een „fijn en intens” gesprek gehad. Daarna hadden ze samen een cursus opgezet om het gedachtengoed van de Belijdende Kerk uit te dragen. Ze werden vrienden.

Ze zegt: „Hij had zijn brochure Bijna te Laat geschreven en hij zei dat ik hem moest verspreiden.” Het was een protestbrief tegen de verklaring die Nederlanders in overheidsdienst over hun afkomst – wel of geen Joods bloed – moesten afleggen. „Hij zei: ‘Ik ben niet praktisch, jij wel, doe het snel.’ Zo begon het. Ik werd in het verzet gedúmpt.”

In maart 1945 werd Jan Koopmans doodgeschoten.

„Ja, per ongeluk, toen hij in een huis zat tegenover het Weteringplantsoen. Er werd een groep jonge mensen geëxecuteerd, en hij stond bij het raam. Een soldaat die misschien geen zin had om raak te schieten, schoot in de lucht en trof hem in zijn linkeroog. Mijn zuster Hanna en ik zaten ondergedoken in zijn huis aan de Koninginneweg. We woonden in zijn studeerkamer. Ik lag ziek met tuberculose, net terug uit Ravensbrück. Als Christine Doorman was ik vrijgelaten. Maar Hebe Kohlbrugge werd nog gezocht.”

De dood van Jan Koopmans, zegt ze, behoort tot de ergste dingen die ze in haar leven heeft meegemaakt.

Vanaf april 1942 smokkelde Kohlbrugge microfilms met geheime informatie over het verzet de grens over, bestemd voor de Nederlandse regering in ballingschap. In april 1944 werd ze, nog maar net onderweg naar Londen, in de trein gearresteerd. Haar persoonsbewijs werd herkend als een vervalsing. „Die man die het controleerde, stak het in zijn zak. De deur van de coupé ging dicht en er werd een soldaat bij gezet. Dan weet je het wel.”

Had u een verhaal voorbereid?

„Nee. Je hield er geen rekening mee dat je zou worden aangehouden. Dan word je gek. Naast me zat een vrouw met een kind, ze zag er aardig uit. Ik stopte de films in haar jaszak, zij kon gewoon uitstappen. Ze merkte er niets van en ik was ze kwijt. Kennelijk had ze meer dan één jas, want ze vond ze pas weken later. Toen heeft ze ze terugbezorgd bij het verzet.”

En u werd naar Scheveningen gebracht.

„Door de Nederlandse politie. Dat zeg ik met cynisme. De Nederlandse politie in het algemeen was niet fout, maar deze man was het wel. Hij zei dat ik natuurlijk een Jodinnetje was en dat ik nu naar Westerbork zou gaan, maar dat was niet erg.”

U bleef volhouden dat u Doorman was.

„Een Rijksduitse die zo’n heimwee naar haar verloofde in Zwitserland had dat ze naar hem op weg was gegaan. Mijn verhoorder geloofde me echt. Hij vroeg hoe ik kon bewijzen dat ik een Rijksduitse was. Ik zei dat een Nederlandse toch nooit zo Duits kon spreken als ik. Het springende punt werd toen dat ik me als Rijksduitse in Nederland niet gemeld had bij de autoriteiten en zo mijn tewerkstelling had ontlopen. Daar kreeg ik tien maanden voor.”

En op 24 januari 1945 werd u vrijgelaten.

„Ja, zo pünktlich waren ze.”

Had u gedacht dat u het zou overleven?

„Daar heb ik niet over nagedacht. Toen ik in die veewagen zat en dat gejammer om me heen hoorde, dacht ik: ‘Ik zal me schrap zetten.’ Ik heb Ravensbrück overleefd dankzij vier Tsjechische vriendinnen, vrouwen uit de top van de communistische partij. Een van hen was arts. Toen ik met veertig graden koorts naar de ziekenbarak was gebracht, stelde zij vast dat ik tuberculose had, geen tyfus. Ik werd naar een andere barak gebracht. Hadden ze me tussen de tyfuspatiënten laten liggen, dan was ik zeker besmet geraakt. En dan was ik er niet meer geweest.”

Het is tien voor negen, ze heeft al twintig minuten langer gepraat dan ze van plan was. „U moet weggaan”, zegt ze. Foto nog niet gemaakt? Niets mee te maken. „Als niemand ‘tot hier en niet verder’ zegt, dan zeg ik het.”

Ze laat zich overreden door het argument dat een half verhaal geen verhaal is. De fotograaf krijgt vijf minuten. En het gesprek – ze kijkt in haar agenda – kan morgen worden afgemaakt. „Om half acht.”

De volgende avond zegt ze: „Ik heb nog eens nagedacht over die vragen van u. Waarom informeert u naar mijn geloofsbelevenis? Wat heeft dat voor zin? Wat wilt u eigenlijk?”

Horen wie zij is en hoe ze denkt. Of ze parallellen ziet tussen Nederland nu en Duitsland in de jaren dertig. Ze is een van de laatsten die er uit eigen ervaring over kunnen vertellen.

„Goed”, zegt ze. „Maar u moet begrijpen dat ik elke dag nog zeer veel correspondentie te doen heb. Mijn vrienden uit het verzet zijn bijna allemaal dood. Maar ik heb zeer veel vrienden van na de oorlog, over de hele wereld. Met een aantal van hen ben ik bezig met de Bijbel. We lezen Matteüs en Lucas en dan zie je hoe ze elk op hun manier het verhaal van Christus vertellen. We lezen Genesis, een prachtig gedicht dat laat zien dat de wereld veel groter is dan het bestaande. Ik vind dat fijn om te doen. Ik vind het jammer als er tijd verloren gaat aan een interview.”

Na de oorlog ging u door met wat u gewend was te doen: gevaarlijke reizen ondernemen, nu naar het Oostblok.

„Vanaf 1947, ja. Ik moest eerst herstellen van de tuberculose. Maar ik begon dichtbij, in Westfalen, in opdracht van de Hervormde Kerk. Het was de bedoeling dat Duitsers en Nederlanders weer de weg naar elkaar zouden vinden.”

U had geen last van rancune?

„Waarom? Ik had goede en kwade Duitsers leren kennen, en goede en kwade Nederlanders. Voor Duitsers was het in de oorlog veel moeilijker geweest om in het verzet te gaan. Ze stonden tegen hun eigen volk op.”

In de jaren vijftig en zestig raakte ze betrokken bij het organiseren van conferenties over de spanningen tussen Oost en West. Ze bezocht dominees achter het IJzeren Gordijn die gehinderd werden in hun werk of vervolgd. Ze regelde dat theologiestudenten uit Nederland een jaar naar het Oostblok konden om zo ‘de dialoog’ gaande te houden. Later, na 1989, werd ze om al dat werk – in een tijd dat communisme ook in Nederland nog door veel mensen als goed werd gezien – geprezen met eredoctoraten van de Karelsuniversiteit in Praag en de Universiteit van Cluj in Roemenië.

Was communisme voor u hetzelfde als nazisme?

„Ja en nee. Het communisme, of het reële socialisme, had idealen die boven die van het nazisme uitstegen. Maar in de uitwerking waren ze praktisch hetzelfde.”

In 1961 zocht u in Praag uw vier vriendinnen uit Ravensbrück op.

„Ik dacht: in Tsjechië is voor het communisme gekózen. Ik wilde weten of het daar anders zou zijn dan in de DDR. Ik ging naar een conferentie en ik probeerde een afspraak met ze te maken. Ik dacht dat ze zouden zeggen: ‘Ha Hebe...’ O nee, Chrisje, want zo heette ik voor hen. ‘Ha Chrisje, kom vanmiddag langs.’ Maar nee, ik moest dagenlang wachten. Ze hadden eerst aan de partijleiding moeten vragen of ze mij mochten ontmoeten. Later hoorde ik dat ze opdracht hadden gekregen om op elkaar te letten. Ze mochten niet afzonderlijk met mij praten. Als ik iets over de kinderen vroeg, kreeg ik wel antwoord. Maar als ik vroeg hoe het nu met hen ging, en wat ze van hun land dachten, dan schonken ze snel een kopje thee in en begonnen ze over wat anders.”

In 1968, tijdens de Praagse Lente, zeiden ze hoe verdrietig ze erom waren geweest.

Alle ideologieën zijn uiteindelijk funest, zegt ze. Maar de leegte die overblijft als er geen ideologie meer is, maar ook geen geloof, die is ook funest. „Dat is de grootste bedreiging nu. Dat er niets meer is. Alleen maar hebberigheid en gemakzucht, ijdelheid en egoïsme.”

Denkt u dat Geert Wilders die leegte opvult?

Ze haalt haar schouders op. „Ik denk dat die beweging van Wilders een vlam is die snel weer dooft. Het is zo verschrikkelijk dom allemaal. Ik denk niet dat Nederland er in zal trappen. Hitler had meer argumenten. Hij had een intelligente staf om zich heen verzameld, mensen als Albert Speer. Die zie ik niet bij Wilders. Wat moet hij in zijn eentje? Wat is zijn programma? Hij hééft geen programma.”

Volgens Vrij Nederland hangt 40 procent van Nederland zijn gedachtengoed aan.

„Ik las het, maar ik geloof dat niet. Het is best mogelijk dat 40 procent bepaalde ideeën van hem wel leuk vindt. Maar hoeveel mensen vonden die Fortuyn leuk? Hoeveel zijn er nu van over?”

Het gaat misschien om dezelfde mensen. En misschien is de ideologie waar ze naar op zoek zijn nog niet voldoende doordacht.

„Het zou kunnen. Maar zoals Wilders zich presenteert, tegen Marokkanen, tegen de islam, dat zit niet slim genoeg in elkaar. Het nazisme was veel slimmer. En Hitler kwam niet aan de macht door zijn antisemitisme. Hij kreeg de Duitsers achter zich door zijn verzet tegen Versailles. Wilders heeft geen Versailles.” Door het Verdrag van Versailles, 1919, was Duitsland veroordeeld tot het doen van herstelbetalingen die het land volkomen uitputten.

En de recessie nu? Doet die u aan de jaren dertig denken?

„Nee. Toen leden mensen honger, ze waren verschrikkelijk arm. In Nederland lijdt niemand honger.”

Het is weer bijna negen uur. Voor Hebe Kohlbrugge is het genoeg geweest. Maar nu geen ‘u moet weggaan’. Ze zegt: „Als u mijn tuin zo mooi vindt, mag u wel even kijken hoor.”

Na het lezen van het verhaal zegt ze: „U heeft van mij een pinnige vrouw gemaakt. Dat ben ik ook, maar waarom moet dat in de krant?” En: „Dat ik u niets te drinken aanbood, wat denkt u? Moet ik dan om half acht koffie zetten en om half negen de afwas gaan doen? Ik ben 95.” En: „Dat over trouwen en kinderen krijgen, dat moet er allemaal uit.”

Maar ze legt zich erbij neer dat het verhaal blijft zoals het is. Ze wil nog wel graag iets toevoegen, bij de passage over het lezen in de Bijbel: dat de zevende dag van de schepping een rustdag is, niet bedoeld om te winkelen. „De Bijbel heeft ons veel te zeggen voor het gewone leven, voor de maatschappij, wat wij tot onze schande verwaarlozen.”

    • Jannetje Koelewijn