'Ik heb geleerd om dingen niet op te potten'

Om kinderen vertrouwd te maken met het klassieke repertoire introduceert Frank Groothof computers in zijn muziekvoorstelling van ‘Sheherazade’.

Frank Groothof (Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen) Purmerend, 20-01-09. Frank Groothof. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

In Orpheus moeten mensen ‘opzouten’, speelt koning Hades golf en komen Lingo, msn en ‘chicks’ voorbij. Frank Groothof (62) bewerkte de afgelopen achttien jaar een reeks opera’s en beroemde verhalen tot muziekvoorstellingen voor kinderen, waaronder Mozarts Idomeneo en De Toverfluit, Carmen van Bizet, Gilgamesj en Orpheus. Hij lokt kinderen de verhalen in door een brug te slaan naar hun eigen wereld en naar muziekvormen die ze kennen. Een computer in Sheherezade, bungeejumpen in Gilgamesj en in Het monster van het labyrint rappen op Bach, yo yo yo!

Groothof werkte een aantal voorstellingen om tot cd’s en meer recentelijk tot luisterboeken, die eigenlijk prentenluisterleesboeken zijn. „Wil je weten hoe kinderen zo’n 250 jaar geleden leefden? Dat kan. Je doet eerst alles met een stekker of batterijen weg. Ook alles wat daarmee te maken heeft, zoals cd’s, dvd’s en games gooi je uit het raam” (De Toverfluit). Groothofs jongste luisterboek is een bewerking van de voorstelling over Vincent van Gogh die hij nu speelt. Het is een voor zijn doen somber werk. Een citaat: „Ik kwam zo gauw ik van het ongeluk hoorde en heb de laatste uren bij hem gewaakt. Met mijn hoofd op hetzelfde kussen lagen we naast elkaar. Precies als vroeger in Zundert onder het schuine dak, toen we nog plannen maakten voor de toekomst.” (Theo van Gogh in Vincent van Goh, een leven in schilderijen.

U vertelt ‘Vincent van Gogh’ sober, met veel pauzes. Uw andere stukken zijn vrolijk en snel. Een bewuste stijlbreuk?

„Het verhaal dat ik wil vertellen brengt mij altijd naar een bepaalde vorm. Vincent van Gogh is een biografie, zo was zijn leven. Wat ontbreekt is humor, die wel in mijn andere voorstellingen zit. Maar ik wilde zijn geworstel niet relativeren, ik kon er gewoon niks anders van maken. Humor is heel belangrijk voor kinderen, hier missen ze het helemaal niet. Het zijn altijd ouders die na afloop zeggen ‘Wel een beetje een zwaar stuk voor kinderen he’. Kinderen zeggen: ‘wat droevig en mooi’.

Van Gogh was een underdog en dat zijn kinderen ook vaak, want wie begrijpt hen in wezen? Ouders willen hun kinderen dingen besparen, ook dingen waar zij recht op hebben. Ikzelf vond het als kind bijvoorbeeld verschrikkelijk dat ik niet naar de begrafenis van mijn oma mocht, bij wie ik een half jaar heb gewoond toen ik drie was. Die mentaliteit van ‘weghouden van’ is er nog steeds. Het mechanisme snap ik wel, maar kinderen begrijpen in het echte leven de wereld om hen heen ook niet: agressie, ruzie thuis, de ellende die op het journaal over hen wordt uitgestort.

„De verhalen die ik vertel zijn niet erger dan Roodkapje, dat gaat toch gewoon over een geslachtsrijp meisje dat van haar moeder de waarschuwing krijgt uit de buurt van mannen te blijven. En dat doet ze natuurlijk niet en dan grijpt de eerste de beste vent haar. Het is niet wreder dan het leven. Het gaat er niet om wat je vertelt, maar hoe. Dus ik heb het opgegeven te proberen een verhaal te vertellen dat kinderen helemaal begrijpen, ik bedoel, hoe leg je uit waarom iemand een kind gaat offeren, zoals in Idomeneo , of waarom een jongen zijn meisje doodsteekt, zoals in Carmen? Ik ben volwassen en ik begrijp de wereld ook nog steeds niet.”

U heeft ervoor gekozen in zowel de voorstelling als voor het luisterboek de rollen van Vincent èn Theo te spelen.

„Ik doe meestal alle rollen. Maar Theo en Vincent wilde ik ook allebei doen omdat ze mij te dierbaar zijn om af te staan. Als ik een stuk maak, kruip ik in de huid van de figuren, ik zoek iets in hun persoonlijkheid dat ik herken. Ik herkende in beiden iets. Het verzorgende van Theo, en het totaal losgeslagene van Vincent. Ik kan ook heel erg driftig zijn. Vooral als kind was ik dat; als iemand vals speelde met knikkeren gooide ik m’n doos met duizend knikkers over straat. Niet te houden. Ik denk dat ze dat nu ADHD zouden noemen. Het is lang een grote handicap voor me geweest. Ik ben nog steeds driftig maar ik heb geleerd om dingen niet op te potten, zodat ik niet explodeer.

„Wat ik zo aantrekkelijk en inspirerend aan Vincent vindt is dat hij geen concessies deed en zich niets gelegen liet liggen aan wat mensen van hem dachten. Zelfs zijn vriend Gauguin vond het aanvankelijk niks wat hij maakte. Het heeft ’m dus nooit wat opgeleverd, maar hij koos voor zijn passie. En Theo was de enige die in hem geloofde. Dat die zich zijn hele leven verantwoordelijk voor hem voelde vind ik ontroerend. Meestal is het andersom en voelt het oudere kind zich verantwoordelijk voor zijn jongere broer of zus.”

Hoe zet u een voorstelling die u in theater met publiek en decor speelt, om in een verhaal op cd, dat in de studio moet worden gemaakt?

„Ik sleutel veel aan de tekst want je moet hetzelfde verhaal vertellen zonder beelden. Een heel gezoek, ik ben heel streng en perfectionistisch; het drama van iedereen die met kunst bezig is en na drie maanden zijn werk terughoort: ai, dat had ik anders moeten doen. Zowel in de studio als op het toneel ben ik afhankelijk van de inspiratie van het moment. Maar op het toneel ga ik er meer voor, omdat voor publiek spelen toch heel anders is. Bij een opname luister ik eindeloos: is het goed of niet. Zo niet, dan gaat het opnieuw, en opnieuw, en opnieuw.”

„Ik krijg door de bewerking soms nieuwe inzichten. De voorstelling over Van Gogh begon bijvoorbeeld eerst met Theo en zijn vrouw Jo. Jo zegt dat Theo Vincent geen geld meer moet sturen. Maar toen ik ging herschrijven voor het luisterboek besefte ik dat dat voor kinderen niet te begrijpen is, dan moet je wel weten wie die Jo en Theo zijn. Daarom ben ik het verhaal begonnen met Theo en Vincent als kinderen. Dat doe ik in de voorstelling nu ook. Het werkt beter. In de eerste versie speelde ik Vincent ook heel wild, hij was toch een soort borderliner. Daar ben ik ook mee gestopt want dat was te vermoeiend voor het publiek.”

Wat is er bij een productie voor u eerst, de muziek of het verhaal?

„Vaak word ik benaderd door muziekgezelschappen die een voorstelling willen doen. Zoals tango-orkest Quinteto Zárate. Dat gaf mij muziek die wel erg zwaar was dus daar heb ik voor kinderen toegankelijkere tango bij gezocht. En meestal struikelt er dan een verhaal over mij heen. In dit geval was dat Orpheus. Bij Gilgamesj was het andersom, dat wilde ik zelf vertellen. Ik las dat verhaal voor aan een van mijn kinderen en viel bijna in slaap, saai was het. Daar heb ik muziek bij gezocht. Sheherazade heeft Arabische muziek en is ook mede door Arabische musici gespeeld. Als die inzetten: Wrampapapaaaah! Hun temperament was heerlijk. Nu ben ik door het Metropole Orkest benaderd. Daar wil ik Het verhaal van de soldaat mee doen, maar niet met muziek van Stravinsky.’’

Hebben tekst en muziek voor u dezelfde waarde?

„Muziek is mijn motivatie, tekst het middel. Ik wil al die prachtige muziek laten horen en het liefst optreden met een live-orkest zodat kinderen ook zien uit welke instrumenten die muziek komt. Ik vind Bach bijvoorbeeld een van de grootste componisten die de mensheid heeft voortgebracht en dat wil ik kinderen laten horen. Daarom breng ik ook die luisterboeken uit. Daar moet geld bij, maar het is nou eenmaal mijn missie.

„Zo’n voorstelling als Vincent van Gogh wordt misschien gezien door tienduizend, vijftienduizend kinderen en daarna is het afgelopen. Ik vind die voorstelling veel te goed om verloren te laten gaan. Ik wil kinderen ook laten horen dat klassiek geen ouwesokkenmuziek is. Als ze er op jonge leeftijd een goede ervaring mee hebben, zullen ze er later ook veel makkelijker voor open staan. Kinderen houden van klassieke muziek, intuïtief voelen ze die aan, op hun eigen niveau. Mijn kleinzoon zingt de muziek van De Toverfluit al mee, en hij is drie.”

    • Simone van Driel