'Het verlies voelt koud aan'

Len Fokkens (1938) had het als werkende, alleenstaande moeder ‘knus’ met haar twee kinderen. ‘Ik weet dat mijn zoon een kindje heeft. Ik ben oma.’

Len Fokkens (1938) had het als werkende, alleenstaande moeder ‘knus’ met haar twee kinderen. ‘Ik weet dat mijn zoon een kindje heeft. Ik ben oma.’ 2 januari 1977, van links naar rechts: 1. Biret Fokkens (1972-2003), clinical research scientist bij GlaxoSmithKline 2. Len Fokkens-van Vugt (1934), psychotherapeut 3. Wim Fokkens (1938), adviseur 4. Jorn Fokkens (1971), adviseur

‘Ik ontmoette Wim in het filmhuis. Er was een voorstelling afgelast en ik dronk een Campari tijdens het wachten op de volgende, Cul-de-Sac. We raakten aan de praat, over films, over boeken. Toen Wim mijn flat zag, zei hij: hier kan ik tot rust komen. En hij wilde kinderen. Ik was 34 en had mijn kinderwens al opgegeven – in die tijd werden de risico’s na je 35ste te groot geacht. Nu bood iemand me de kans om toch nog een normaal gezin te vormen. Misschien heeft dat me verblind.

„In onze relatie heerste vanaf het begin strijd. Wim was jaloers op mijn beroep: ik was afgestudeerd als psychologe, schoolde mezelf gretig bij in alle nieuwe therapievormen die toen uit de VS kwamen en begon een praktijk aan huis. Wim was socioloog, maar hij had minder plezier in zijn werk. Hij miste mijn drive.

„Jorn en Biret zijn met 16 maanden ertussen geboren. Een zoon en een dochter. Ik was heel blij met ze. Maar doordat het tussen Wim en mij niet goed liep, voelde ik me eenzaam, alsof ik de kar alleen moest trekken. Gezinsuitjes als op deze foto zien er leuker uit dan ze waren. Op een vakantie in Frankrijk hebben Wim en ik onze laatste grote ruzie gehad, daarna was het wat mij betreft over. Hij is verhuisd. De kinderen zijn hem wel blijven zien.

„Ik werd een werkende, alleenstaande moeder – maar in mijn huwelijk had ik ook altijd gewerkt. Nu ontving ik tot twee uur ’s middags cliënten, dan haalde ik de kinderen van school, en ’s avonds ging ik nog een paar uur aan de slag. Als moeder wilde je toen vooral dat de kinderen zo min mogelijk last hadden van je werk. We hadden het knus met z’n drietjes. Vakanties, eters, leven in de brouwerij. Ik heb regelmatig last van migraineaanvallen, maar zelfs daar maakte ik altijd iets leuks van. Dan haalden we de slaapzakken naar beneden, en aten we taartjes als het weer beter ging.

„Toen Jorn 25 was, keerde hij zich van me af. Opeens deugde niets meer in zijn ogen: ik was een te dominante moeder geweest, ik had hem schade berokkend, ik had Biret altijd voorgetrokken. Het lukte me niet om door zijn boosheid heen te breken. Het werd slechter en slechter tussen ons. Na een ontmoeting zat ik steevast te huilen achter het stuur. Uiteindelijk heb ik met hem gebroken. Ik kon niet meer. Cliënten adviseer ik ook om met familieleden te breken als het leed te groot wordt. Zolang Jorn zo slecht over mij blijft denken, hoef ik hem niet meer te zien. Ik weet dat hij een kindje heeft. Ik ben oma.

„Het verdriet over het verlies van Jorn voelt koud aan; het verdriet om Biret is warm. Zij is bij me, elke dag. In juni 2002 werd baarmoederhalskanker bij haar geconstateerd. Ze woonde samen met haar vriend, ze was gek op haar baan en hoopte snel moeder te worden. De kanker bleek zo ver te zijn uitgezaaid dat ze niet meer te redden was. Ze is nog wel bestraald en heeft vijf chemokuren doorstaan. Ze heeft veel pijn gehad. Maar ze was dapper, gul, geestig, tot het einde toe.

„Baby’s van vriendinnen nam ze stralend op schoot. Haar laatste twee weken ben ik bij haar gebleven, in het ziekenhuis. Ik was zo sterk. Ik was niet kapot te krijgen. Ik troostte ánderen.”

Ze is populair in de straat, ‘oma Len’. Buurkinderen vallen graag bij haar binnen. Ze mogen zelfs over de stoep scheuren met haar invalidenwagentje; lopen gaat haar steeds moeilijker af. Twee keer per jaar komt de hele straat bij haar ‘Biret-taart’ eten, het hazelnootgebak waar haar dochter zo van hield. Dan praten ze, over Biret. Zo blijft de herinnering levend. Verbitteren mag niet.

Suggestie voor een bijzondere foto met verhaal? Mail naar weekblad@nrc.nl

    • Sandra Heerma van Voss