Filippijnse activist wil weer kunnen pinnen

Tijdens een hoorzitting in Luxemburg afgelopen week was de zaak van de Filipijnse politiek activist José Maria Sison aan de orde. De man uit Utrecht wil van de EU-terreurlijst.

José M. Sison (. Foto M. Daleman) Prof. Jose Maria Sison. Utrecht, 30-01-07 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Een maand geleden staakte het Openbaar Ministerie (OM) de vervolging van de Filippijnse politiek activist José Maria Sison uit Utrecht. Maar dat betekent niet automatisch dat zijn naam wordt geschrapt van de terreurlijst van de Europese Unie.

Hoe hard moeten aanwijzingen voor betrokkenheid bij terrorisme zijn voor plaatsing op de EU-terreurlijst? Mag worden volstaan met ‘algemene bevindingen’ van nationale veiligheidsdiensten? Of moet sprake zijn van ‘specifieke en concrete’ verdenkingen?

Daarover ging het donderdag tijdens de hoorzitting in Luxemburg voor het Gerecht van Eerste Aanleg, onderdeel van het Europees Hof van Justitie, in het proces dat Sison tegen de Raad van Ministers van de EU (lees: de regeringen van de lidstaten) heeft aangespannen wegens zijn plaatsing op de terreurlijst (zie inzet). Ook eist hij een schadevergoeding van ruim drie ton. De nu 70-jarige Sison heeft van meet af aan gestreden tegen het feit dat hij door Nederland en de EU is gebrandmerkt als ‘terrorist’. In juli 2007 boekte hij succes. Toen bepaalde het Europees Hof van Justitie dat hij in 2002 onrechtmatig op de terreurlijst was beland. De EU had elementaire beginselen, zoals het recht op verdediging en de plicht tot specifieke motivering, onvoldoende in acht genomen, aldus het Hof.

Direct gevolg had die overwinning voor Sison niet. De procedure had zó lang geduurd, dat de EU haar sanctielijst ondertussen verschillende keren had gewijzigd, meestal op grond van „nieuwe informatie” afkomstig van geheime diensten van lidstaten. Maar daarbij was Sison telkens op de lijst gehandhaafd.

Wel noopte de schrobbering van het Hof de lidstaten tot herziening van de procedure rond de samenstelling en periodieke actualisering van de EU-terreurlijst. De eerste die daar baat bij vond was de Iraanse oppositiegroep Mujahedeen Khalq Organisatie, islamitische strijders van het volk). Zij ontbreekt op de laatste editie (26 januari 2009) van de lijst.

Wordt Sison de volgende die wordt geschrapt? Zijn raadsman J. Fermon noemde de motieven om hem op de lijst te handhaven „achterhaald” en „feitelijke onjuist”. Sison was geen pleitbezorger van geweld en van ‘leidinggeven’ aan de CPP en NVA was al helemaal geen sprake (meer).

Daarentegen beklemtoonden Nederland en de EU-Raad dat Sison terecht op de lijst is blijven staan. De EU komt bij toepassing van de plaatsingscriteria een „ruime beoordelingsbevoegdheid” toe, betoogden zij.

Verder wezen zij er op dat Sison in augustus 2007 – een maand na zijn overwinning in het vorige proces – opnieuw was opgepakt op verdenking van betrokkenheid bij twee politieke moorden op de Filippijnen.

„In het politiedossier zitten tal van aanwijzingen dat Sison tijdens zijn ballingschap in Nederland een prominente rol binnen de CPP/NVA is blijven spelen”, zei gemachtigde C. Wissels die optrad voor Nederland. Dat het Openbaar Ministerie Sisons vervolging eind maart, na anderhalf jaar onderzoek, niettemin staakte, is voor Nederland vooralsnog geen reden om aan te nemen dat hij van de terreurlijst af kan, zei zij.

Wel noemde Wissels de beslissing van het OM „een nieuw feit” dat zal worden meewegen in de evaluaties van de sanctielijst. „De uitkomst daarvan is op dit moment nog niet bekend.”

De Britse rechter N.J. Forwood, die de hoorzitting leidde, wilde weten hoe de gestaakte vervolging zich verhoudt tot Sisons handhaving op de terreurlijst. Forwood: „Ik begin me toch af te vragen hoe de EU-Raad bij afwezigheid van vervolging inzake het leidinggeven aan een terroristische organisatie toch tot de conclusie kan komen dat de heer Sison thuishoort op de EU-sanctielijst, juist wegens het leiding geven aan een terroristische organisatie.”

Sisons raadsman Fermon zei dat die discrepantie alleen kan bestaan doordat Nederland en de EU-Raad de plaatsingscriteria „ontoelaatbaar oprekken”. Wissels bracht daar namens Nederland tegenin dat staking van een strafrechtelijk onderzoek in een lidstaat van een geheel andere orde is dan de Europese beoordeling van een terreurdreiging.

De rechter mag dit gevecht tussen ‘rekkelijken’ en ‘preciezen’ over de totstandkoming van de EU-sanctielijst zelf beslechten. Daar zal hij naar verwachting nog wel enkele maanden voor nodig hebben.