Diep in de psychotheorie

Jaap van der Stel – Psychopathologie. Grondslagen, determinanten, mechanismen – Amsterdam, Boom, 669 blz. Euro 35,50. Universiteit Leiden, 22 april 2009. Promotores: Prof.dr.G. Glas, Prof.dr. W. van Tilburg .

In de 25 jaar dat ik in deze rubriek proefschriften bespreek, heb ik nog nooit iets gezegd over de dissertatie van een eigen promovendus. Dat hoort niet, maar ja, wat doe je als jouw promovendus naar een ander gaat en nog een keer een proefschrift schrijft. Het klinkt bijna als overspel. Dat is het niet, want het is al bijna vijftien jaar geleden dat Jaap van der Stel bij mij cum laude promoveerde op een prachtig en zeer omvangrijk (552 bladzijden) proefschrift over vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland ( ‘Drinken, drank en dronkenschap’) en daarna hebben we elkaar nauwelijks meer gezien of gesproken. Maar toch, waarom nog een tweede keer? In Nederland hebben we niet zoals in Duitsland het Habilitationsschrift, dat als het ware de wetenschappelijke sollicitatiebrief voor het hoogleraarschap is. Een proefschrift is hier echt een proeve van bekwaamheid als wetenschapper en daarvan kan je echt spreken, als er ook nog een cum laude wordt gegeven. Dat gebeurt echt niet zo vaak en betekent altijd dat het proefschrift nog een tweede keer door een andere commissie beoordeeld moet worden. Of het echt een cum laude wordt, hangt dan ook weer van de verdediging af. De commissie besluit pas daarna of de gewone bul of de bul met lof wordt uitgereikt.

Maar goed, Jaap van der Stel

did it again en het proefschrift is nog dikker dan het vorige geworden. Een cum laude heeft hij er dit keer niet voor gekregen. Ten onrechte toch, met dit boek heeft hij het zelfs nog meer verdiend dan met de studie die hij bij mij verdedigde. Het is bijna niet te geloven dat iemand met een doctoraal andragologie uit 1980 helemaal in zijn eentje en ook helemaal zonder verbinding met een universiteit – Jaap van der Stel werkt in de geestelijke gezondheidszorg en is ‘associate lector’ op een hogeschool – een boek als dit kan schrijven. En dat ook nog in een heel korte tijd, in een onopgesmukte stijl en met gebruikmaking van de nieuwste internationale literatuur uit heel veel verschillende wetenschapsgebieden, variërend van de genetica tot de neurologie, de klinische psychologie en filosofie. Het is tegelijkertijd ook vreemd en vooral jammer dat een boek als dit in het Nederlands verschijnt, want Van der Stel mengt zich zonder enige terughoudendheid en met grote zekerheid in een debat dat in Nederland niet gevoerd wordt. Er is in ons land eigenlijk niemand die over de volle breedte van zijn onderwerp serieus het gesprek met hem aan kan.

Het boek opent met de introductie van

een van de grote moderne, maar in Nederland vrijwel volledig onbekende filosofen, de 90-jarige Argentijn Mario Bunge, nog altijd hoogleraar aan de McGill University in Montreal en auteur van een enorm oeuvre met een sterk wetenschapsfilosofisch en systematisch karakter. Voor Van der Stel is hij de leidsman in zijn poging een grondslag te leggen voor een theorie van de psychopathologie. Die is er namelijk niet, al zou je kunnen zeggen dat Freud zowel een psychodynamische als een ontwikkelingspsychologische theorie van psychische problemen heeft ontwikkeld. Afgezien van alle kritiek die daar op gekomen is, raakt de psychoanalyse echter juist het grootste deel van wat tegenwoordig als psychische problematiek in engere zin wordt gezien (schizofrenie, depressie, psychosen) niet of nauwelijks. Het nu algemeen gehanteerde psychiatrische classificatiesysteem (het DSM-systeem van de Amerikaanse vereniging voor psychiatrie) is welbewust theorieloos gehouden. Syndromen en symptomen worden in samenhang met elkaar beschreven op grond van hun empirische en klinische herkenbaarheid. Over de oorzaken van de problemen of het beloop van de ontwikkeling worden geen verklarende uitspraken gedaan. Het gaat om diagnostiek en behandeling van wat door patiënten als probleem naar voren wordt gebracht. Heel vaak is het trouwens de patiënt zelf die het probleem vormt en door anderen ter behandeling wordt voorgedragen.

Jaap van der Stel volgt de omgekeerde weg. Hij stelt eerst met behulp van Bunge vast aan welke voorwaarden de psychopathologie moet voldoen om een theorie te kunnen zijn en op grond van hypothesen getoetst te kunnen worden. Daarna ontwikkelt hij mede op basis van recent empirisch onderzoek een filosofie van zowel de biologie als de psychologie, die gezamenlijk de grondslag vormen voor een beschouwing over ziekte en gezondheid en daarmee weer de basis voor het empirische onderzoek naar psychopathologische verschijnselen. Jaap van der Stel kent de praktijk van de psychiatrie en van de psychiatrische diagnostiek (‘het oplossen van omgekeerde problemen’, zoals hij het heel treffend noemt: terugredeneren van de symptomen naar de disfuncties) en dat maakt dat zijn modellen en denkschema’s nog net met de alledaagse werkelijkheid van de psychiatrie verbonden blijven. Maar het is inderdaad maar net en dat maakt dat deze ambitieuze studie waarschijnlijk toch een theoretische exercitie zal blijven met weinig invloed op de kliniek, maar ook op het wetenschappelijk onderzoek.

Sociologisch gezien is heel simpel

te verklaren waarom een boek dat op bijna elke bladzijde voor een Aha-Erlebnis zorgt en vrijwel geen paragraaf of hoofdstuk kent waarin niet een origineel en ook bruikbaar perspectief op bijvoorbeeld de ontwikkelingspsychologie of het biopsychosociale model wordt ontwikkeld, toch niet, zoals vijftig jaar geleden het proefschrift van Chomsky in de taalkunde, tot een paradigmaverandering zal leiden. Jaap van der Stel is geen vakgenoot, geen psychiater, bioloog of psycholoog, en hij maakt geen deel uit van een wetenschappelijk instituut. Zijn werkwijze staat hem echter ook in de weg. Normaal gesproken komt men in de geneeskunde heel snel ter zake. Standaard wordt meestal eerst verteld wat het praktische probleem is, hoe het onderzoek is opgezet en wat daar uit kwam. Een artikel wordt afgesloten met een discussieparagraaf. Jaap van der Stel gaat precies andersom te werk. Het duurt heel lang voor hij bij de psychopathologie zelf aankomt en bijna alleen terloops gaat hij ook op specifieke symptomen en syndromen in. Weinig lezers zullen hem willen en kunnen volgen in zijn vaak zeer complexe redeneringen en zijn fijnzinnige conceptuele onderverdelingen. Tenslotte is het vooral ook teveel van alles en veel te anders bovendien.

Ik kon het ook echt niet allemaal volgen

en vooral ook niet meteen zien wat de gevolgen van Van der Stels benadering voor de klinische praktijk en het wetenschappelijk onderzoek zou kunnen betekenen. Dit is nu echt zo’n boek dat interdisciplinaire studiegroepen een hele winter intensief zou kunnen en moeten bezighouden. Verplichte kost ook wat mij betreft in de opleiding tot psychiater of klinisch psycholoog.

    • Paul Schnabel