De onontkoombare JSF

Het besluit over de JSF is weer uitgesteld. Toch lijkt de aanschaf van het gevechtsvliegtuig onvermijdelijk. Want de Nederlandse luchtmacht is ‘een onderafdeling’ van de Amerikaanse.

Het is maar een website. Maar wel een website die al meer dan anderhalf jaar kritische berichten publiceert over het grootste Defensieproject uit de Nederlandse geschiedenis: de F-35 Joint Strike Fighter (JSF).

Daarom is www.jsfnieuws.nl, zoals de website heet, Defensie een doorn in het oog .

Kolonel Robert Geerdes, verantwoordelijk voor het JSF-project, liet uitzoeken wie de beheerder is. Het blijkt een zekere Johan Boeder te zijn, eigenaar van een softwarebedrijf in Kesteren, in de Betuwe.

Al snel komt kolonel Geerdes er achter dat Johan Boeder contact onderhoudt met Kamerleden. Boeder schrijft ‘commentaren’ op de informatie die Defensie naar het parlement stuurt. Boeder, stelt Geerdes ongerust vast, heeft als ‘onafhankelijke JSF-watcher’ in een mum van tijd geloofwaardigheid opgebouwd. Kamerleden vertrouwen hem.

Maar volgens Geerdes verspreidt de site ‘desinformatie’. Eind augustus 2008 plaatst hij zelf onder pseudoniem twee reacties op de website. Eén keer probeert ‘VF16’ (‘Vervanging F-16’, red.) een bericht over de prijs van de JSF te corrigeren. Een andere keer informeert hij voorzichtig naar de man achter de website, Johan Boeder.

Eind augustus meldt zich ook ene ‘Jan Diederik Korthals van Capuyne’ op jsfnieuws. Van Capuyne introduceert zich als „luchtvaartliefhebber”. Maar hij begint meteen de concurrent van de JSF af te kraken: de Zweedse Saab Gripen ‘Next Generation’. Lichter dan de JSF? Minder duur? Dan kan Nederland net zo goed een Cessna 152 kopen. „Enorm licht en lekker goedkoop.”

Jsfnieuws zoekt uit waar de berichten van ‘Jan Diederik Korthals van Capuyne’ vandaan komen. Sommige ervan blijken verstuurd te zijn vanaf een computer die geregistreerd staat op naam van het ministerie van Defensie.

Kritiek op de JSF ligt bij Defensie uiterst gevoelig. Een alternatief is voor de luchtmacht haast ondenkbaar. Maar de afgelopen maanden is de weerstand tegen het gevechtsvliegtuig gegroeid. Voor een bedrag van 6,2 miljard euro straaljagers kopen ligt moeilijk tijdens een economische recessie. Nog steeds is onduidelijk hoeveel de JSF precies gaat kosten, en of het wel het beste vliegtuig is. Bovendien: kan de F-16 niet nog jaren mee?

Vorige week weigerde regeringspartij PvdA in te stemmen met de aanschaf van twee JSF-testtoestellen. De JSF, vonden de sociaal-democraten, werd Nederland ‘door de strot geduwd’. Even dreigde er een kabinetscrisis. Toen kwam er een compromis. Het eerste testtoestel komt er toch, maar het definitieve besluit over de JSF is uitgesteld – tot 2012, als er een nieuw kabinet zal zijn. Toch zijn er maar weinigen die denken dat de keuze dán anders uitvalt. De Joint Strike Fighter moet en zal er komen. Waarom eigenlijk?

Het is 12 april, Tweede Paasdag, 1993. Onder massale belangstelling van de internationale media stijgen twee Nederlandse F-16’s op vanaf de Italiaanse vliegbasis Villafranca.

De Verenigde Naties hebben een vliegverbod boven Bosnië afgekondigd. Nederland maakt deel uit van een internationale coalitie die er voor moet zorgen dat er geen Servische vliegtuigen opduiken in de no fly zone .

Boven de Adriatische Zee krijgen de Nederlandse F-16’s gezelschap van twee Amerikaanse F-18 Hornets, die zijn opgestegen vanaf het Amerikaanse vliegdekschip USS Theodore Roosevelt. Even na twaalven koersen de vier vliegtuigen richting de Joegoslavische kust. Nadat de vliegers de laatste instructies hebben gekregen, kiezen de F-18’s demonstratief positie achter de Nederlanders. Operatie Deny Flight is begonnen. En het zijn Nederlandse F-16’s die als eerste het Bosnische luchtruim binnenvliegen.

Met de primeur voor de Nederlanders wordt een Amerikaanse belofte ingelost. Die is gedaan tijdens een bezoek van een hoge Amerikaanse NAVO-commandant aan Den Haag, zo blijkt uit het boek Check the horizon – De Koninklijke Luchtmacht en het conflict in voormalig Joegoslavië 1991-1995 (een uitgave van de luchtmachtstaf). Tijdens de lunch maakt de bevelhebber van de Nederlandse luchtmacht, Heinz Manderfeld, admiraal Mike Boorda duidelijk dat de Nederlandse luchtmacht „gaarne bereid” is mee te doen met de VN-operatie – onder voorwaarde van politieke toestemming, uiteraard. Boorda doet van zijn kant een toezegging: „Als er een Deny Flight komt”, zegt de Amerikaanse admiraal, „beloof ik je dat het de Nederlandse kisten zijn die als eerste de waterlijn Adriatische Zee–voormalig Joegoslavië oversteken.”

Deny Flight is een beslissend moment voor de Koninklijke Luchtmacht. De beelden van de opstijgende Nederlandse jachtvliegtuigen gaan de hele wereld over. De Nederlanders maken een professionele, zelfverzekerde indruk. De commandant van het Nederlandse detachement, overste Dick Berlijn, doet het goed voor de camera’s. Zijn optreden is het begin van een carrière die in 2005 zal reiken tot het hoogste militaire ambt.

Ook de Amerikanen zijn impressed. Als de Amerikaanse driesterrengeneraal Joseph Ashy laat doorschemeren dat hij dolgraag nog eens zelf op patrouille zou gaan, regelen de Nederlanders meteen een tweezitter voor een missie boven Bosnië. Ashy, een veteran pilot uit de Vietnamoorlog, is bijzonder ingenomen met de Nederlanders. „Ze waren allemaal superb”, zegt de generaal als hij in 1997 terugblikt. „Het lijkt wel of we landgenoten zijn. We spreken dezelfde taal – jullie spreken beter Engels dan ikzelf. Ik was net zo onder de indruk van jullie vliegers als van de Amerikaanse piloten. Ik zie heel, heel weinig verschil.”

De Nederlands-Amerikaanse samenwerking is niet uit de lucht komen vallen. Nederlandse piloten vliegen sinds de jaren vijftig met Amerikaans materieel – dat in de beginjaren nog gratis door de VS ter beschikking wordt gesteld. Nederlandse piloten krijgen hun vliegeropleiding grotendeels in de VS. Na de sluiting van vliegbasis Twente in 2007 zal een van de vijf Nederlandse F-16-squadrons permanent in de VS worden gestationeerd. Veel jachtvliegers houden aan het verblijf in de ‘States’, een blijvende liefde voor de American way of life over.

In de jaren zestig en zeventig vliegt de luchtmacht nog met ‘tweederangs’ kisten. De F-104G Starfighter en de NF-5 Freedom Fighter zijn vooral gebouwd voor de export naar Europese NAVO-landen. Maar vanaf 1979 worden deze typen vervangen door een nieuwe jager. Voor de Nederlandse luchtmacht is het nauwelijks een vraag welk toestel dat moet worden. De Amerikaanse F-16 Fighting Falcon is niet alleen een bijzonder geslaagd ontwerp, het toestel vormt ook de ruggengraat van de United States Air Force (USAF). Nederlandse vliegers krijgen hetzelfde toestel als hun Amerikaanse collega’s en vliegen volgens exact dezelfde procedures. Net als de Amerikanen hebben de Nederlanders call signs: ‘Cowboy’, ‘Baco’, of ‘Quicky’ – zoals de latere generaal Berlijn wordt genoemd. Amerikaanse collega’s van Berlijn noemen de oud-commandant der strijdkrachten nog steeds zo.

De F-16 wordt in de jaren zeventig aangeschaft als een jager uit het ‘middenspectrum’. Maar in de loop van de jaren tachtig en negentig weet de luchtmacht stapsgewijs extra capaciteiten door het parlement te loodsen. „De updates begonnen al terwijl de eerste vliegtuigen nog werden afgeleverd”, vertelt voormalig Defensiemedewerker Bert Kreemers.

Kreemers, die met zijn boek Hete Hangijzers promoveerde op de de aanschaf van Nederlandse gevechtsvliegtuigen, stelde vast dat de luchtmacht al vanaf het midden van de jaren tachtig doelbewust heeft aangestuurd op deze ‘configuratiegroei’. „En de Kamer is daarover heel matig geïnformeerd.” Het resultaat is een spectaculaire verbetering van de ‘gevechtswaarde’ van de F-16. Kreemers: „De bedoeling van de politiek was een betrekkelijk eenvoudige jager te kopen. Maar na de Mid Life Update (MLU) in de jaren negentig, behoorden onze F-16’s tot de hoogste NAVO-categorie.”

Tijdens de eerste dag van de Kosovo-oorlog, 24 maart 1999, haalt majoor Peter Tankink (callsign: ‘Wobble’) met een AIM-120 ‘Amraam’-raket een Servische Mig-29 uit de lucht. Het is de eerste en enige keer dat een niet-Amerikaan een AIM-120 in oorlogstijd afvuurt. Tankinks kill is een van in totaal tien geregistreerde treffers met de AIM-120. De Servische piloot, luitenant Milutinovic, redt zijn leven met de schietstoel.

Operatie Allied Force is the finest hour van de luchtmacht. De toestellen van grote NAVO-landen als het Verenigd Koninkrijk, Duitsland of Italië hebben operationele beperkingen. De twintig gemoderniseerde F-16’s die de Koninklijke Luchtmacht inzet, kunnen wél meedoen met de Amerikanen. In totaal voert Nederland 16 procent – bijna eenvijfde – van het aantal sorties (vluchten) van de Europese bondgenoten uit. Alleen Frankrijk (28 procent) heeft een groter aandeel in de Europese inspanning.

„De materieelsinvesteringen van de Koninklijke Luchtmacht van de afgelopen jaren”, schrijft het kabinet in 2001, „wierpen tijdens operatie Allied Force hun vruchten af.”

Nederlandse F-16’s gooien letterlijk honderden bommen op Servië en Kosovo. In 2000 meldt het kabinet in een brief aan de Tweede Kamer dat de luchtmacht tijdens operatie Allied Force alleen al 165 keer de – politiek omstreden – CBU-87 ‘clusterbom’ heeft afgeworpen.

„De Nederlandse luchtmacht mag enige naam hebben”, zegt Ben Droste, die van 1995 tot 2000 bevelhebber der luchtstrijdkrachten was. „In kwaliteit zitten we net onder de Amerikanen. Maar we zijn in par met het Verenigd Koninkrijk.”

Volgens Zweedse overste-vlieger Peter Nilsson, plaatsvervangend directeur van de operationele afdeling van Saab Gripen, is Nederland de Britten zelfs voorbij. „Sinds 1999 hebben ze de nummer twee positie overgenomen. Ze horen echt bij de inner circle.”

In de internationale pikorde van jachtvliegers weegt dat zwaar. Nilsson: „Je moet begrijpen hoe wij vliegers zijn. Het is een klein wereldje. Er heerst een bepaalde cultuur, een bepaalde dress code. Amerika is natuurlijk het grote voorbeeld. En omdat de Nederlanders zo close zijn met de VS, hebben ze een grote invloed in de internationale fighter pilot community.”

Dat is de psychologische kant van de zaak.

Maar in de jaren na de Koude Oorlog zijn ook zwaarwegende politiek-strategische redenen voor de ‘KLu’ om zo dicht mogelijk tegen de Amerikanen aan te blijven schurken. De VS bepalen waar en wanneer er militair wordt ingegrepen. En in het Pentagon weten ze dat de kleine modelluchtmacht uit Nederland gráág meedoet.

In 2003 staan de Nederlandse F-16’s hoog op het verlanglijstje van het Pentagon. Nederland geeft echter alleen ‘politieke steun’ aan de inval in Irak. Nederlandse F-16’s vliegen al wel boven Afghanistan voor operatie Enduring Freedom, vanaf de vliegbasis Manas in Kirgizië.

De luchtmacht, kortom, bewijst zijn nut. En dat is belangrijk in tijden van steeds verder slinkende defensiebudgetten. Ook de luchtmacht ontkomt niet aan de bezuinigingsgolven die vanaf 1991 over de defensieorganisatie slaan. Maar het onderdeel wordt minder zwaar getroffen dan de marine en de landmacht. Van de 230 F-16’s die de luchtmacht sinds 1979 heeft aangeschaft, zijn er in 2009 nog een kleine 100 operationeel. Ter vergelijking: sinds 1989 ging de landmacht terug van 445 naar 80 Leopard-tanks.

Er is nóg een kant aan het strategische partnerschap tussen de Amerikaanse en de Nederlandse luchtmacht.

Sinds de jaren zestig hebben Nederlandse vliegers geoefend hoe ze met hun Starfighters atoomwapens moeten afwerpen boven Oost-Europa. Met de ingebruikname van de F-16 in de jaren tachtig wordt de nucleaire taak van de luchtmacht gehandhaafd. De regering wil het niet officieel bevestigen, maar het is een publiek geheim dat het 72ste Munition Support Squadron (MUNSS) van de Amerikaanse luchtmacht op vliegbasis Volkel waakt over 22 kernbommen van het type B-61.

Op Kamervragen van de SP of de JSF ook geschikt wordt gemaakt voor nucleaire wapens, gaf het kabinet vorig jaar geen antwoord. Maar vorige week maakte een hoge vertegenwoordiger van het Pentagon bekend dat de VS een initiatief gestart was om de F-35 een nucleaire capaciteit te geven. „Dit betekent dat de landen die bij het programma betrokken zijn, moeten samenwerken”, zo zei de official.

In 1995 hoort generaal Dirk Starink, directeur materieel materieel, voor het eerst van het JSF-project tijdens een bezoek van de Amerikaanse onderminister Paul Kaminky. Starink ziet meteen het belang: de JSF wordt hét vliegtuig van de Amerikaanse strijdkrachten in de eenentwintigste eeuw.

In 1997 treedt de luchtmacht toe tot het JSF-programma. Tegen betaling van 10 miljoen dollar mag de Nederlandse luchtmacht meedenken over de eisen waaraan de JSF zal moeten voldoen. Staatssecretaris Gmelich Meijling (VVD) schrijft aan de Tweede Kamer: „Met de beperkte deelneming in de concept-demonstratiefase, die loopt van 1997 tot 2001, wordt op geen enkele wijze vooruitgelopen op de keuze voor een vervangend vliegtuig.”

Dat is de politíeke realiteit.

In de ogen van de Koninklijke Luchtmacht is er maar één keuze. In 1998 schrijft directeur materieel Dirk Starink een beschouwend artikel onder de titel: ‘Vliegtuigen van de 21ste eeuw. Zijn er alternatieven voor de JSF?’

Een retorische vraag. Starink concludeert dat er maar twee vliegtuigen op de markt zijn die een echte verbetering betekenen ten opzichte van de F-16. Het ene vliegtuig, de Amerikaanse F-22, is niet te betalen. Het andere toestel is de JSF.

Minister van Defensie Frank de Grave verbiedt de publicatie ervan. Het zal nog een jaar duren voordat de Tweede Kamer Defensie toestemming geeft om überhaupt op zoek te gaan naar een vervanger van de F-16.

„Nederland wil een onderafdeling van de US Airforce blijven”, zegt Saab-directeur Peter Nilsson. „Ergens begrijp ik dat wel. Jullie worden overal ter wereld ingezet. Jullie zijn out there.”

„Wij spelen in de eredivisie”, zegt oud-luchtmachtbevelhebber Ben Droste. „Willen we daar blijven, dan hebben we een modern platform als de JSF nodig. Anders zakken we af naar de middelmaat.”

Majoor André Steur (callsign: ‘Jabba’) vloog in een uitwisselingsprogramma drie jaar bij het Amerikaanse 77 Fighter Squadron in South-Carolina. In september 2008 is hij als hoofd operationele zaken van het ‘bureau vervanging F-16’ op bezoek bij het Zweedse ministerie van Defensie.

Steur en een paar collega’s komen kijken naar de Saab Gripen. Deense luchtmachtofficieren zijn in Stockholm een week aan het oefenen op de simulators van de Zweedse Flygvapnet en de Nederlanders kijken mee. De Denen, net als Nederland partner in het JSF-project, evalueren de Gripen ‘Next Generation’ (NG).

Jabba is niet geïmponeerd.

De Denen hebben één oefenscenario opgesteld. De Gripen moet door een nauwe corridor het vijandelijke luchtruim binnenvliegen om een batterij SAM luchtdoelraketten uit te schakelen. De luchtcorridor is maar een paar kilometer breed. Daarom moeten de Deense piloten achter elkaar, in een rechte lijn naar het doel vliegen. Met een JSF zou dat kunnen: vooral van de voorkant is het toestel slecht te zien op de radars van de SAM-batterij. „Maar met een Gripen kan dat niet”, zegt een bron bij Saab, die er ook bij was. „Wij hebben een andere tactiek: met meerdere Gripens, in een breed front naderen. Maar daar hadden de Denen niet op geoefend.”

In 2002 heeft het ministerie van Defensie de Gripen als een van de eerste kandidaten laten afvallen. Na een uitgebreide ‘kandidatenevaluatie’ heeft Defensie de F-35 Joint Strike Fighter aangewezen als beste en goedkoopste toestel. Het kabinet Kok II besloot daarop voor 800 miljoen dollar (destijds 858 miljoen euro) mee te doen met de ontwikkeling van de JSF. Officieel is daarmee nog geen definitieve keuze gemaakt voor de F-35. Maar, zo schrijft het kabinet zelf ook, meedoen aan de ontwikkelingsfase betekent ‘de facto’ een keuze voor de JSF.

Maar in 2008 moet de luchtmacht zijn huiswerk overdoen. Het jaar daarvoor heeft de PvdA tijdens de coalitieonderhandelingen afgedwongen dat er een nieuwe kandidatenvergelijking moet komen, voordat er een definitieve keuze wordt gemaakt. En in mei 2008 heeft PvdA-Kamerlid Angelien Eijsink geëist dat Defensie ook opnieuw kijkt naar de Gripen. Een jager die door luchtmachtofficieren in de wandelgangen met het nodige dedain wordt afgedaan als een ‘léuk klein vliegtuigje’: „Meer een soort Cessna.”

Sinds 2002 heeft Defensie alleen maar gewerkt aan de invoering van de JSF. Een werkgroep van het ministerie, de JSF Operational Working Group (JOWG), heeft nagedacht over een operationeel concept voor de ‘F-35’. In de werkgroep zitten vliegers, maar ook mensen van TNO en het Nederlands Instituut voor Lucht- en Ruimtevaart (NLR). De twee kennisinstituten hebben meegewerkt aan de eerste kandidatenevaluatie van 2001. TNO en NLR zullen ook nauw betrokken zijn bij de ‘actualisatie’ hiervan in 2008.

Deze krant is in bezit van versie 2.0 van het ‘NL F-35 ‘Conops’. Het document, uit 2005, is een beschrijving van de manier waarop er met de JSF zal worden geopereerd. Maar het Conops is niet alleen een ‘handleiding’ voor de JSF, het beschrijft ook de ambities van Defensie, en hoe Defensie denkt dat de conflicten van de toekomst er uit zullen zien. Nieuwe inzichten kunnen zo leiden tot nieuwe eisen aan de JSF. „(...) indien noodzakelijk zijn er unieke Nederlandse prestatie-eisen opgesteld waaraan het F-35 ontwerp moet voldoen.” Als partner in de ontwikkelingsfase mag Nederland meepraten. Zo wordt er op Nederlands verzoek bekeken hoe de cockpit van de JSF kan worden aangepast aan toekomstige Nederlandse piloten, die steeds langer worden.

In andere interne stukken van het ministerie van Defensie, die deze krant heeft ingezien, wordt het NL F-35 Conops ook wel het „operatieconcept voor de vervanger van de F-16 genoemd”. Voor het ministerie van Defensie maakt dat weinig uit: de opvolger van de F-16 wordt de F-35.

Maar in het voorjaar van 2008 blijkt de race om de opvolging van de F-16 ineens niet gelopen te zijn. Twee Europese concurrenten, het Eurofighter-concern en de Franse vliegtuigbouwer Dassault, besluiten om niet voor de tweede keer mee te doen. Maar het Zweedse Saab-concern is aangenaam verrast als na politieke druk van de PvdA de eerder afgeschreven Gripen opnieuw wordt toegelaten als kandidaat. Tegenover de pers en de Tweede Kamer presenteren de Zweden zich met flair als het goedkope alternatief voor de JSF. Bij de PvdA en de oppositie slaat die boodschap aan.

Begin mei ontvangen de Zweden een vragenlijst van het ministerie van Defensie. In de questionnaire vraagt Defensie de Zweden om te beschrijven hoe ze zes verschillende aanvalsmissies met de Gripen denken te kunnen uitvoeren. „Het operationeel concept voor de Vervanger van de F-16 ( Replacement F-16 Operational Concept – red.)”, meldt het ministerie, „beschrijft met welke missies de vervanger van de F-16 een bijdrage levert aan de Nederlandse Defensie Ambitie. Het document genereert hierdoor de operationele eisen voor de opvolger van de F-16”.

Maar waar ‘opvolger F-16’ staat, had ook ‘F-35’ kunnen worden ingevuld. Het operationeel concept voor de vervanger van de F-16 is namelijk een beschrijving van de missies die de F-35 voor Nederland zal gaan uitvoeren. Van een neutrale vergelijking is dus geen sprake. De Gripen moet volgens Defensie kunnen wat de JSF kan.

In september van dit jaar schreef NRC Handelsblad al over het operationeel concept. De krant merkte toen op dat er sinds 2002 nieuwe eisen waren gesteld aan de opvolger van de F-16, die in het voordeel waren van de JSF. In reactie op de publicatie schreef staatssecretaris De Vries aan de Tweede Kamer dat dat niet waar was. De nieuwe kandidatenvergelijking, aldus De Vries, was uitgevoerd aan de hand van „zes algemene missieprofielen voor ‘multi role’ jachtvliegtuigen”.

Die opmerking blijkt dus niet te kloppen. De zes missies van de vergelijking zijn niet ‘algemeen’. Ze zijn gebaseerd op het operationele concept voor de JSF.

Maakte dat de Gripen bij voorbaat kansloos? Dat is moeilijk na te gaan. De uitkomsten van de kandidatenevaluatie zijn geheim, en alleen vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage gegeven.

Het ministerie van Defensie benadrukt dat de nieuwe productvergelijking ‘open en transparant’ is uitgevoerd. worden uitgevoerd. Maar PvdA en oppositiepartijen als SP en PVV zijn wantrouwig – zelfs nadat het adviesbureau RAND heeft gerapporteerd dat er niet met de ‘actualisering’ van de ‘kandidatenvergelijking’ is geknoeid.

Feit is dat het projectbureau ‘Vervanging F-16’ al in 2005 definitief koos voor de JSF. In oktober van dat jaar – drie jaar nadat Nederland in het JSF-project is gestapt, en acht jaar voordat de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter moet zijn afgerond, stuurt de Directie Materieel het zogeheten D-document naar de bewindslieden en ambtelijke top van het ministerie van Defensie. De ‘D’ staat in het Defensiematerieelproces voor ‘decision’.

„Aanbevolen wordt”, stelt het vertrouwelijke document, „om definitief te kiezen (...) voor de JSF als vervanger van de F-16”. Die definitieve beslissing komt er niet. In 2006 valt het tweede kabinet Balkenende over de affaire rond Ayaan Hirsi Ali. De JSF-belissing wordt doorgeschoven naar een volgend kabinet. Vorige week werd de beslissing opnieuw uitgesteld, tot 2012.

Maar afstel is het waarschijnlijk niet. Volgens de luchtmacht moet de JSF er komen. Hoe dan ook.

Het ministerie van Defensie zegt in een reactie dat de kandidatenevaluatie onpartijdig is uitgevoerd.